De Hoge Raad oordeelt, onder verwijzing naar zijn arrest van 17 januari 2025, dat het geval van X met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als een bijzonder geval.

X schakelt een no-cure-no-pay-gemachtigde in in het kader van een aan hem opgelegde BPM-naheffingsaanslag. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Vervolgens worden het beroep en het verzet van X ongegrond verklaard. De Hoge Raad (17 april 2026, 25/00089, ECLI:NL:HR:2026:677, V-N 2026/18.12) oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat de naheffingsaanslag vóór of op 13 april 2023 is bekendgemaakt. Voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding stelt de Hoge Raad X in de gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken.

De Hoge Raad oordeelt, onder verwijzing naar zijn arrest van (17 januari 2025, 24/00575, ECLI:NL:HR:2025:46, V-N 2025/5.27), dat het geval van X met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als een bijzonder geval. X heeft namelijk met betrekking tot het bedrijfsmodel van de gemachtigde geen nadere gegevens verstrekt ter voldoening van de op hem rustende last om te bewijzen dat het geval van X is aan te merken als een bijzonder geval. De Hoge Raad oordeelt verder dat de met de WHpkv ingevoerde beperkingen van proceskostenvergoedingen voor gerechtelijke procedures betreffende de BPM niet in strijd zijn met het beginsel van effectieve rechtsbescherming zoals bedoeld in art. 47 EU-Handvest. De Hoge Raad kent aan X een vergoeding toe van € 421 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het geding in cassatie.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75

Algemene wet bestuursrecht artikel 3.41

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 20 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

51

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen