X en zijn echtgenote bezitten een woning in Nederland en een woning in Zwitserland. Zij komen in het jaar 2000 overeen dat zij gescheiden gaan leven, maar wel gehuwd blijven. X gaat in Zwitserland wonen en zijn echtgenote in Nederland. X schrijft zich tevens in Zwitserland in bij de gemeentelijke basisadministratie. Naar aanleiding van een onderzoek naar de fiscale woonplaats van X voor de jaren 2010-2017 stelt de inspecteur een Excel-overzicht op voor de periode 1 januari 2011 - 1 juli 2016. Volgens de inspecteur blijkt uit dit onderzoek dat X in de jaren 2011-2017 fiscaal inwoner is van Nederland. De IB-(navorderings)aanslagen zijn dan ook terecht opgelegd. Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat X naar nationaal recht in Nederland woonde. X is gehuwd gebleven, verbleef in Nederland altijd in de woning van zijn echtgenote met wie hij onroerende zaken bezat en deed regelmatig pintransacties in Nederland. Ook maakte hij gebruik van de Nederlandse gezondheidszorg en hanteerde hij Nederlandse postadressen. Toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland leidt tot dezelfde conclusie. Het gelijk is aan de inspecteur. X gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft onderbouwd waarom X in de periode 1 juli 2016 - 31 december 2017 fiscaal inwoner van Nederland is. Het Excel-overzicht betreft namelijk niet de periode 1 juli 2016 - 31 december 2017. De Hoge Raad verwijst de zaak dan ook naar Hof Arnhem-Leeuwarden om te onderzoeken wat de woonplaats van X is gedurende de periode 1 juli 2016 - 31 december 2017. De Hoge Raad merkt daarbij nog op dat het aan de inspecteur is om aan te tonen dat de duurzame band van X met Nederland na medio 2016 niet is verbroken.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 4
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Internationaal belastingrecht
Editie: 20 juli
Informatiesoort: VN Vandaag