X woont in Nederland en werkt in dienstbetrekking bij A LTD gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, een dochtermaatschappij van B LLC gevestigd in de Verenigde Staten. B LLC heeft ook een dochtermaatschappij, C GmbH, gevestigd in Duitsland. X vervult als CEO een internationale managementfunctie en verricht werkzaamheden voor A LTD en C GmbH in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. A LTD sluit in 2015 een Management Services Agreement (MSA) met C GmbH voor managementdiensten. X is vanaf 22 september 2017 statutair bestuurder van C GmbH. X verzoekt in zijn aangiften IB/PVV 2016 tot en met 2019 om aftrek elders belast voor het volledige inkomen toerekenbaar aan werkzaamheden in Duitsland. De inspecteur verleent slechts aftrek voor werkzaamheden in het Verenigd Koninkrijk en voor de statutair bestuurderswerkzaamheden. In geschil is of C GmbH als materieel werkgever van X kwalificeert.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat niet inzichtelijk is gemaakt dat – en in hoeverre – X' loonkosten door A LTD aan C GmbH worden doorbelast. C GmbH kwalificeert daarom niet als X' materiële werkgever. Het is aannemelijk dat X' werkzaamheden als CEO integraal onderdeel uitmaken van de onderneming van C GmbH, zodat aan de integration test uit het OESO-commentaar is voldaan. Echter, indien de integration test wijst in de richting van een andere materiële werkgever dan de formele werkgever (A LTD) moet ook worden gekeken naar de aanvullende factoren uit OESO-commentaar. De financiële regeling tussen A LTD en C GmbH is daarbij een relevante, maar niet doorslaggevende factor voor de beoordeling van het materieel werkgeverschap. Van belang is of een directe relatie bestaat tussen de door C GmbH aan A LTD betaalde service fee en X' loon. De door X overgelegde stukken zijn niet volledig en maken niet aannemelijk dat C GmbH kwalificeert als materieel werkgever. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Internationaal belastingrecht
Editie: 17 juli
Informatiesoort: VN Vandaag