De Hoge Raad oordeelt dat Hof Arnhem-Leeuwarden de vermeende schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ niet in het midden mocht laten aangezien een succesvol beroep op art. 40 lid 2 Wet WOZ in beginsel leidt tot toekenning van een proceskostenvergoeding.

X maakt bezwaar tegen een WOZ-beschikking en verzoekt daarbij op grond van art. 40 lid 2 Wet WOZ om verstrekking van de gegevens die aan de vastgestelde WOZ-waarde ten grondslag liggen. In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of art. 40 lid 2 Wet WOZ is geschonden. Hof Arnhem-Leeuwarden laat dit in het midden. Veronderstellenderwijs uitgaande van een schending oordeelt het hof dat X daardoor niet is benadeeld, omdat hij ook zonder die schending beroep zou hebben ingesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat Hof Arnhem-Leeuwarden de vermeende schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ niet in het midden mocht laten aangezien een succesvol beroep op art. 40 lid 2 Wet WOZ in beginsel leidt tot toekenning van een proceskostenvergoeding. De Hoge Raad verwijst naar HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1823, r.o. 2.3, V-N 2025/57.18. Dit leidt echter niet tot cassatie. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat gegevens die in bezwaar zijn gevraagd en onder art. 40 lid 2 Wet WOZ vallen al aan X zijn verstrekt in de bezwaarfase. De overige klachten van X over de hofuitspraak kunnen evenmin tot cassatie leiden (art. 81 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 40

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 20 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

21

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen