Hof Den Haag oordeelt dat de kostenraming die ten grondslag ligt aan de kostencomponent van de naheffingsaanslagen parkeerbelasting voldoet aan de daarvoor geldende eisen.

X gaat in hoger beroep tegen een groot aantal naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Rotterdam. Het  belangrijkste geschilpunt spitst zich toe op de vraag of de in verband met de onderhavige naheffingsaanslagen in rekening gebrachte kosten te hoog zijn vastgesteld.

Hof Den Haag oordeelt dat de kostenraming die ten grondslag ligt aan de kostencomponent van de naheffingsaanslagen voldoet aan de daarvoor geldende eisen. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de door X betwiste kostenposten meer dan slechts zijdelings verband houden met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Ook mocht de gemeente de oninbare naheffingsaanslagen tot de kosten rekenen. Daarnaast blijft een naheffingsaanslag in stand die is opgelegd voor een auto die geparkeerd stond op een parkeerplaats bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen zonder dat deze was aangesloten op de laadpaal. Het enkele feit dat de auto niet was aangesloten op de laadpaal betekent niet dat in strijd met een wettelijk voorschrift is geparkeerd. Van de heffingsambtenaar kan niet worden verlangd dat hij onderzoekt of een voertuig daadwerkelijk aan het laden is. In incidenteel hoger beroep krijgt de heffingsambtenaar bovendien gelijk over drie naheffingsaanslagen in een zogenoemde Stop & Shop-zone. Nu X geen aangifte heeft gedaan en de heffingsambtenaar daardoor in zijn controlemogelijkheden is beperkt, rust de bewijslast op X. X levert dat bewijs niet.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Gemeentewet artikel 225

Gemeentewet artikel 234

Instantie: Hof Den Haag

Rubriek: Belastingen van lagere overheden

Editie: 23 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen