De Hoge Raad verwerpt de opvatting dat matiging van de proceskostenvergoeding op grond van art. 2 lid 2 Bpb alleen mogelijk is als het behaalde gelijk betrekking heeft op een punt van ondergeschikt belang. Daarnaast kan art. 2 lid 2 Bpb ook worden toegepast als de proceskostenvergoeding al is beperkt op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.

X betwist zijn WOZ-waarde. Rechtbank Rotterdam handhaaft de waarde, maar constateert wel een schending van art. 40 lid 2 Wet WOZ. Omdat X alleen op het punt van art. 40 Wet WOZ gelijk krijgt, halveert de rechtbank de proceskostenvergoeding. Hof Den Haag oordeelt dat deze matiging voldoende is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is.

De Hoge Raad verwerpt de opvatting dat matiging van de proceskostenvergoeding op grond van art. 2 lid 2 Bpb alleen mogelijk is als het behaalde gelijk betrekking heeft op een punt van ondergeschikt belang. Deze bepaling geeft de rechter de bevoegdheid de forfaitaire proceskostenvergoeding te matigen in gevallen waarin een belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld en voor zover een volledige vergoeding onredelijk zou zijn. Beoordeeld moet worden of de forfaitaire proceskostenvergoeding onredelijk zou zijn in het licht van het gewicht van het geschilpunt of de geschilpunten waarop de belanghebbende in het gelijk is gesteld. De matigingsbevoegdheid is dus niet beperkt tot gevallen waarin de geschilpunten waarop de belanghebbende gelijk krijgt van ondergeschikt belang zijn. Ten slotte is een matiging op grond van art. 2 lid 2 Bpb ook mogelijk als de proceskostenvergoeding al is beperkt op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Besluit proceskosten bestuursrecht artikel 2

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75

Wet waardering onroerende zaken artikel 40

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 23 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

96

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen