De Hoge Raad oordeelt dat het zwijgen van X voor de inspecteur een bevestiging kon zijn van het vermoeden van belastingfraude.

X laat zijn aangiften IB/PVV indienen door een belastingconsulent. Uit onderzoek blijkt dat deze gemachtigde op grote schaal aangiften indient met gefingeerde aftrekposten. De inspecteur stelt vragen aan X die daarop echter niet reageert. Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur beschikt over een nieuw feit om de onterecht geclaimde aftrekposten bij X na te vorderen. X stelt dat het niet beantwoorden van vragen geen nieuw feit kan opleveren.

De Hoge Raad oordeelt dat het zwijgen van X voor de inspecteur een bevestiging kon zijn van het vermoeden van belastingfraude. Het hof heeft met zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het nieuwe feit erin is gelegen dat de belastingconsulent van X op grote schaal onjuiste aangiften heeft verzorgd en dat dit wellicht ook bij de aangifte van X het geval is. Verder heeft het hof willen zeggen dat de inspecteur een bevestiging van zijn vermoeden (van belastingfraude) heeft kunnen vinden in het uitblijven van een antwoord op zijn vragen. Aldus verstaan geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad. Het beroep in cassatie van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet inzake rijksbelastingen 16

Instantie: Hoge Raad

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 6 juli

Carrousel: Carrousel

  698
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen