X BV heeft haar statutaire zetel in Nederland en handelt in alcoholhoudende dranken. Zij koopt de goederen in, slaat ze op en verkoopt de goederen in de accijnsgoederenplaats respectievelijk het douane-entrepot van Z BV. In de periode tussen inkoop en verkoop blijven de goederen binnen de accijnsgoederenplaats of het douane-entrepot en worden ze niet uitgeslagen. De enige bestuurder van X BV woont in Spanje. Daarnaast heeft X BV geen personeel in dienst. De bestuurder van X BV is regelmatig in Nederland en voert dan besprekingen met verkopers en kopers. Deze besprekingen vinden niet plaats in de door X BV gehuurde kantoorruimte, maar in hotels, restaurants en op kantoor van Z BV. X BV heeft een Nederlandse bankrekening en laat de administratie in Nederland doen. X BV heeft geen fiscaal vertegenwoordiger aangesteld in Nederland. X BV past het nultarief toe op de door haar geleverde goederen op grond van post a.7.a Tabel II Wet OB 1968. De inspecteur is van mening dat X BV ten onrechte het nultarief toepast, omdat zij niet in Nederland is gevestigd en daarom een fiscaal vertegenwoordiger had moeten aanstellen. De inspecteur legt naheffingsaanslagen omzetbelasting op. X BV gaat in bezwaar en (hoger) beroep. In beroep oordeelt de Rechtbank Den Haag dat X BV niet in Nederland is gevestigd en voor de toepassing van de nultarief een fiscaal vertegenwoordiger had moeten aanstellen. In hoger beroep is onder andere in geschil of X BV voor de toepassing van het nultarief een fiscaal vertegenwoordiger had moeten aanstellen.
Hof Den Haag oordeelt dat X BV het nultarief terecht heeft toegepast. De verplichting tot het aanstellen van een fiscaal vertegenwoordiger kan niet aan X BV worden tegengeworpen. De fiscale vertegenwoordigerseis (art. 12 lid 2 Uitv.besl. OB 1968) heeft indirect betrekking op de voldoening van BTW en is een discriminatoire maatregel op basis waarvan buiten Nederland gevestigde belastingplichtigen slechter worden behandeld dan in Nederland gevestigde concurrenten. Bovendien mag het niet naleven van de formele fiscale vertegenwoordigerseis, niet leiden tot weigering van het nultarief als aan alle materiële voorwaarden wordt voldaan. Het hoger beroep van X BV is gegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 9
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 7
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 artikel 12
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 artikel 24C
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Omzetbelasting, Accijns en verbruiksbelastingen
Editie: 6 maart
Informatiesoort: VN Vandaag