X doet voor de jaren 2018 - 2022 aangifte IB/PVV en vermeldt daarin negatieve winsten uit onderneming tussen € 12.616 en € 15.747 per jaar. Na een boekenonderzoek in 2023 worden de aangegeven negatieve winsten uit onderneming gecorrigeerd. De inspecteur legt navorderingsaanslagen 2018 - 2020 op, en primitieve aanslagen voor 2021 en 2022, telkens met belastingrente. X voert sinds eind jaren tachtig een onderneming in gebruikte medische apparatuur, maar draagt in 2014 zijn zakelijke contacten over aan zijn zwager en ontvangt nadien incidenteel commissie. Daarnaast ontwikkelt hij vanaf 2016 een idee voor een digitaal medisch hulpmiddel, zonder businessplan of commerciële acties. In geschil is of voor 2018 tot en met 2022 sprake is van een bron van inkomen en of het vertrouwensbeginsel aftrek van opgevoerde negatieve winsten rechtvaardigt.
Rechtbank Den Haag stelt vast dat X in de jaren 2018 tot en met 2022 geen onderneming uitoefent en daarom geen winst uit onderneming geniet. De samenwerking met zijn zwager en het digitale medisch hulpmiddel voldoen niet aan de vereisten voor een bron van inkomen. Het hulpmiddel blijft beperkt tot een idee zonder economische exploitatie of realistische kans op voordeel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat X geen bindende afspraken met de Belastingdienst aantoont en zijn oude onderneming uiterlijk in 2014 heeft gestaakt. De (navorderings)aanslagen blijven in stand.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.4
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 20 januari
Informatiesoort: VN Vandaag