X exploiteert een eenmanszaak voor interim ICT-werk en werkt daarnaast voor X BV en Y BV. Voor Y BV, opgericht door de zoon, verricht in 2021 uitsluitend X werkzaamheden. X ontvangt via Y BV een lening met pandrecht op zijn woning, wordt later bestuurder en aandeelhouder, en onttrekt in dat jaar een aanzienlijk bedrag. Tevens gebruikt hij een door Y BV ter beschikking gestelde auto. Ondanks uitnodiging, herinnering en aanmaning dient X geen aangiften IB/PVV en Zvw voor 2021 in. De inspecteur legt ambtshalve aanslagen op, gebaseerd op loon, privégebruik auto, onttrekkingen en overige inkomsten. X gaat in bezwaar en beroep. De inspecteur stelt dat X niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat op die grond de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. In beroep is in geschil of de inspecteur een redelijke schatting heeft gemaakt van het inkomen van X.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur een redelijke schatting van het inkomen van X heeft gemaakt. X toont niet aan dat de schatting onjuist is of dat hij terecht aftrekposten en verlies uit onderneming claimt. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 9
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 25
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 2 februari
Informatiesoort: VN Vandaag