X is eigenaar van twee onroerende zaken waarvoor de heffingsambtenaar WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB en rioolheffingen 2018 oplegt, gebaseerd op WOZ-waarden van € 181.000 en € 169.000. X maakt bezwaar tegen ‘de aanslag gemeentelijke heffingen’ zonder deze te specificeren of motiveren. De heffingsambtenaar verklaart het bezwaar driemaal niet-ontvankelijk, achtereenvolgens wegens het ontbreken van een machtiging, het ontbreken van bezwaargronden en het uitblijven van een reactie op een herstelverzuimbrief. Rechtbank Oost-Brabant verklaart het beroep van X ongegrond.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar in stand blijft, ondanks het ontbreken van een expliciete waarschuwing in de herstelverzuimbrief. Op grond van een uitspraak van de Hoge Raad (HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1614, V-N 2019/50.10) brengt een zorgvuldige behandeling mee dat een bestuursorgaan erop dient te wijzen wat de overschrijding van de bezwaartermijn tot gevolg kan hebben. Doordat de heffingsambtenaar verwijst naar een eerdere procedure van X waarin diens bezwaar wegens vergelijkbare verzuimen niet-ontvankelijk is verklaard, is hier volgens het hof aan voldaan. Het hoger beroep van X is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.6
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.5
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 6 februari
Informatiesoort: VN Vandaag