Hof Den Haag oordeelt in hoger beroep dat de raadsheren bevoegd zijn om in deze zaak recht te spreken. X' beroep is wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat het duidelijk niet kan slagen (art. 80a lid 1 Wet RO).

X is fiscaal partner van A. In geschil is of X terecht giftenaftrek claimt voor de (loon)belasting die zij en A in 2014, 2016 en 2017 hebben betaald. Volgens Rechtbank Den Haag is het betalen van belasting geen vrijgevigheid, maar een wettelijke verplichting. X stelt in hoger beroep dat de zetel van de Nederlandse regering gedurende 1940-1945 ongrondwettig buiten het Rijk was gevestigd, wat niet zonder gevolgen kan blijven.

Hof Den Haag (V-N 2022/7.1.3) oordeelt dat de raadsheren bevoegd zijn om in deze zaak recht te spreken. X' stelling over de plaats van de zetel van de regering tijdens WOII brengt volgens X mee, zo begrijpt het hof, dat de raadsheren van het hof onbevoegd zijn om in zijn zaak recht te spreken. Naar het oordeel van het hof heeft X met wat hij heeft aangevoerd deze opvatting, wat daarvan verder ook zij, niet onderbouwd. Voorts vindt zij geen steun in het recht. Het hoger beroep is ontvangen op 6 april 2021, terwijl dit uiterlijk op 16 maart 2021 ter post had moeten zijn bezorgd en uiterlijk op 23 maart 2021 had moeten zijn ontvangen. Het beroep van X is daarom niet-ontvankelijk. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk omdat het duidelijk niet kan slagen (art. 80a lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 6.32

Algemene wet bestuursrecht 6:9

Informatiesoort: VN Vandaag

Editie: 5 oktober

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Instantie: Hoge Raad

  721
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen