X is eigenaar van twee in 2000 gebouwde winkelpanden met kantoor- en magazijnruimte. De heffingsambtenaar stelt bij WOZ-beschikking 2021 de waarde van het eerste pand op € 1.888.000 en van het tweede pand op € 720.000. X gaat in beroep tegen deze waarden. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, maar kent een immateriële schadevergoeding van € 100 toe en een proceskostenvergoeding van € 25, te verdelen tussen de heffingsambtenaar en de minister. X stelt hoger beroep in en betwist alleen nog de waarde van het eerste pand en de hoogte van de proceskostenvergoeding. In geschil is of de WOZ-waarde van het eerste pand te hoog is en of de rechtbank de proceskosten juist berekent.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de heffingsambtenaar met een huurwaardekapitalisatiemethode de waarde van het eerste pand aannemelijk maakt. De heffingsambtenaar onderbouwt de factor met huurcijfers van vergelijkbare winkels en toont een feitelijk leegstandsrisico van 4,6% tegenover een gehanteerd percentage van 10%. Daardoor blijft, ook bij het door X bepleite hogere risico-opslagpercentage, de risicomarge toereikend. Verder oordeelt het hof dat de rechtbank de proceskostenvergoeding in eerste aanleg in strijd met het Besluit proceskosten bestuursrecht te laag vaststelt. Toepassing van één punt met wegingsfactor 0,25 leidt tot een hogere vergoeding, zodat het hof de uitspraak van de rechtbank op dit punt vernietigt.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 17
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Waardering onroerende zaken
Editie: 31 maart
Informatiesoort: VN Vandaag