X BV exploiteert een payrollbedrijf voor de horeca. Tijdens een in 2013 uitgevoerd boekenonderzoek wordt vastgesteld dat X BV het hoge sectorpremiepercentage had moeten toepassen. De inspecteur legt echter geen LH-naheffingsaanslag op. Naar aanleiding van een controle over de jaren 2014-2016 worden wel LH-naheffingsaanslagen opgelegd, omdat X BV nog steeds niet de omvang van de te verrichten arbeid in de arbeidsovereenkomsten heeft vastgelegd. X beroept zich op het vertrouwensbeginsel.
Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2024/27.1.2) oordeelt dat het beroep van X BV op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het door haar ingenomen standpunt is namelijk zo duidelijk in strijd met de wettelijke bepalingen dat X BV de inspecteur niet aan zijn (vermeende) goedkeuring van dat standpunt kan houden. Daarbij is van belang dat X BV een specialist is op het gebied van payrollactiviteiten in de horecabranche. Haar activiteiten bestaan uit het opmaken van arbeidscontracten met werknemers die in de horeca werkzaamheden verrichten. Zowel de wettelijke bepalingen als de door X BV ontvangen informatie van de Belastingdienst en Koninklijke Horeca Nederland zijn duidelijk over het toe te passen sectorpremiepercentage. De naheffingsaanslagen blijven in stand. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet financiering sociale verzekeringen artikel 28
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Loonbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 24 maart
Informatiesoort: VN Vandaag