X doet aangifte IB/PVV 2021 naar een verzamelinkomen van € 38.220, met aftrek van specifieke zorgkosten en giften. De inspecteur vraagt om nadere informatie, waarop X diverse medische stukken, bankafschriften en autokostenbescheiden verstrekt. De inspecteur wijkt bij aanslagregeling af van de aangifte en corrigeert de aftrekposten. In bezwaar verlaagt de inspecteur het belastbaar inkomen en accepteert extra zorgkosten en giften, maar hoort X niet en biedt geen dossierinzage. Pas na de uitspraak op bezwaar vindt een hoorgesprek plaats. X gaat vervolgens in beroep.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur het hoorrecht schendt omdat hij na de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar geen nadere poging doet om X te horen terwijl onduidelijkheid over de feiten bestaat. Daardoor schendt de inspecteur ook het aan het horen gekoppelde inzagerecht. Op verzoek van partijen wijst de rechtbank de zaak niet terug, maar beoordeelt zij de aanslag volledig en laat zij de aanslag en belastingrentebeschikking in stand. Het beroep is alleen gegrond, omdat het hoorrecht is geschonden.
Wetingang:
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.17
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.22
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.2
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.4
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 9 februari
Informatiesoort: VN Vandaag