Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur juiste verzending van de aanslagen aannemelijk maakt. Daarom verklaart de rechtbank de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk en het beroep ongegrond.

X staat van april 2016 tot november 2020 in de Basisregistratie Personen ingeschreven op een buitenlands adres en vanaf november 2020 op een binnenlands adres. De inspecteur legt met dagtekening 29 november 2017 aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 op en adresseert de aanslagbiljetten aan het buitenlandse adres. De ontvanger verzendt in 2022 mededelingen nieuwe verjaringstermijn en een aankondiging vordering naar het binnenlandse adres. X dient in juni 2023 zijn bezwaren tegen de aanslagen in. De inspecteur verklaart de bezwaren niet ontvankelijk. In geschil is of de inspecteur de bezwaren terecht niet ontvankelijk verklaart wegens termijnoverschrijding.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat X zijn bezwaarschrift te laat indient, omdat de bezwaartermijn zes weken na de dagtekening 29 november 2017 afloopt en de inspecteur het bezwaarschrift pas op 26 juni 2023 ontvangt. Omdat X stelt dat hij de aanslagen niet ontvangt, moet de inspecteur verzending aannemelijk maken. De inspecteur overlegt verzendrapporten waaruit volgt dat hij de aanslagen aan PostNL aanbiedt en naar het juiste buitenlandse adres adresseert. X heeft niet onderbouwd dat er sprake is van problemen met de postbezorging op zijn buitenlandse adres en maakt verschoonbare termijnoverschrijding ook verder niet aannemelijk. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 3.41

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 2 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

17

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen