X BV en Y BV vormen een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Y BV houdt zich onder meer bezig met het verzorgen, trainen en de handel in paarden. In 2016 verkoopt de fiscale eenheid (gedeeltelijke) eigendom van twee paarden en past daarop het nultarief toe. De inspecteur legt over 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting van op, met een verzuimboete en belastingrentebeschikking. De aanslag draagt de dagtekening 29 december 2021 en komt op 5 januari 2022 bij X BV en Y BV aan. In bezwaar wordt de belastingrentebeschikking verminderd tot nihil, maar de naheffingsaanslag en verzuimboete blijven in stand. X BV en Y BV gaan in beroep en de rechtbank verklaart het beroep ongegrond. In geschil is of de inspecteur de naheffingsaanslag omzetbelasting binnen de vijfjaarstermijn oplegt, gelet op de verzending en bekendmaking van het aanslagbiljet.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de inspecteur de tijdige aanbieding van de naheffingsaanslag aan het postvervoerbedrijf aannemelijk maakt met een verzendrapport. Daaruit volgt dat de aanslag in december 2021 deel uitmaakt van een batch die de inspecteur op 23 en 24 december 2021 voor verzending aanbiedt. De bekendmaking vindt op de voorgeschreven wijze plaats in de zin van art. 3:41 Awb. Omdat de dagtekening van de naheffingsaanslag na de terpostbezorging is gelegen, wordt teruggevallen op de hoofdregel van art. 5 lid 1 AWR. Zo is de dagtekening (29 december 2021) bepalend voor de vraag of de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn is opgelegd. Dat is het geval en de inspecteur legt de naheffingsaanslag en de verzuimboete tijdig op. Het hof verklaart daarom het beroep ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 3.41
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 5
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 20
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 4 februari
Informatiesoort: VN Vandaag