X ontvangt navorderingsaanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016, een conserverende aanslag IB/PVV 2016 en een aanslag IB/PVV 2019, met boetebeschikkingen en belastingrente. X stelt beroep in bij de rechtbank. De ontvanger van de Belastingdienst weigert uitstel van betaling en start invorderingsmaatregelen. X verblijft in het buitenland en stelt dat invordering zijn kredietwaardigheid en een internationale verblijfs- en investeringsprocedure schaadt. In geschil is of de voorzieningenrechter bevoegd is ten aanzien van invorderingsmaatregelen en of X een spoedeisend belang bij schorsing van de aanslagen aantoont.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de belastingkamer niet bevoegd is om de rechtmatigheid van invorderingsmaatregelen van de ontvanger te beoordelen en dat X zich voor die klachten tot de civiele rechter moet wenden. Voor de gevraagde schorsing van de aanslagen beoordeelt de voorzieningenrechter of onverwijlde spoed bestaat. X toont geen financiële noodsituatie of andere zwaarwegende onherstelbare gevolgen aan. Hij onderbouwt zijn gestelde buitenlandse verblijfs- en investeringsprocedure niet en maakt niet aannemelijk dat een buitenlands orgaan aan de Nederlandse aanslagen directe negatieve gevolgen verbindt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom als kennelijk ongegrond af.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.81
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.83
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Invordering, Inkomstenbelasting
Editie: 10 februari
Informatiesoort: VN Vandaag