Belanghebbende, X, laat gemachtigde WOZ-consultants de WOZ-waarde van zijn woning aanvechten.
Hof Arnhem-Leeuwarden verlaagt de WOZ-waarde en oordeelt dat het kantoor WOZ-consultants een ‘bijzonder geval’ is als bedoeld in HR 17 januari 2025, V-N 2025/5.27 waarvoor de beperkingen van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm niet gelden. De proceskostenvergoeding moet dus worden berekend op basis van de forfaitaire bedragen uit het Bpb zonder de vermenigvuldigingsfactor uit art. 30a Wet WOZ. Centraal in deze procedure staat of het bedrijfsmodel van de gemachtigde vanaf 1 januari 2024 nog kwalificeert als no cure no pay, dan wel daarmee in wezen overeenkomt. Het hof stelt voorop dat - gelet op HR 26 september 2025, V-N 2025/42.12 - beslissend is of buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat ten tijde van het instellen van het rechtsmiddel niet (meer) op basis van no cure no pay werd gewerkt. Het hof acht dit bewezen. De gemachtigde heeft consistent verklaard dat vanaf begin 2024 structureel eigen bijdragen van minimaal € 80 in rekening worden gebracht, ongeacht de uitkomst van de procedure. Dit wordt ondersteund door overgelegde overeenkomsten, facturen en cliëntcorrespondentie. Daarbij komt dat de gewijzigde bedrijfsvoering heeft geleid tot een forse inkrimping van het personeelsbestand, hetgeen bevestigt dat de eigen bijdragen niet symbolisch waren en daadwerkelijk een drempel vormen voor potentiële cliënten. Dat deze bijdragen lager zijn dan de forfaitaire proceskostenvergoeding, doet daaraan niet af en vormt evenmin een bijzondere omstandigheid als bedoeld in art. 2 lid 3 Bpb om de vergoeding te matigen. Het hof stelt de proceskostenvergoeding vast op € 5196,26.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 17
Wet waardering onroerende zaken artikel 30A
Besluit proceskosten bestuursrecht artikel 2
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 9 februari
Informatiesoort: VN Vandaag