De Wet op de vennootschapsbelasting bevat een aantal bepalingen over de fiscale eenheid, bijvoorbeeld over de verrekening van verliezen van vennootschappen die dateren van voor de voeging in een fiscale eenheid. Onder voorwaarden kunnen deze voorvoegingsverliezen worden verrekend met de winst van de fiscale eenheid. De winst van de fiscale eenheid wordt dan gesplitst en toegerekend aan de samenstellende delen van de fiscale eenheid. Winstsplitsing is niet aan de orde als er geen sprake (meer) is van een fiscale eenheid, aldus de rechtbank.
De wet bevat daarnaast bepalingen voor de verrekening van verliezen na de verbreking van de fiscale eenheid. Die bepalingen zijn volgens de rechtbank Den Haag niet van toepassing als de fiscale eenheid eindigt door ontbinding en vereffening van de enige dochtermaatschappij van de fiscale eenheid.

Voorvoegingsverliezen en einde fiscale eenheid

Per 1 september 2006 ontstond een fiscale eenheid tussen twee bv's. De dochter bv beschikte over een herinvesteringsreserve. Deze reserve was gevormd na de verkoop van haar bedrijfspand. De moeder bv boekte in 2008 de herinvesteringsreserve af op een door haar aangekocht pand. Op 14 oktober 2008 werd besloten de dochtermaatschappij te ontbinden. De ontbinding vond plaats op 23 december 2008, waardoor de fiscale eenheid eindigde.
 
De voormalige moedermaatschappij verrekende in haar aangiften vennootschapsbelasting over 2009 en 2010 haar voorvoegingsverliezen, waardoor voor beide jaren het belastbare bedrag op nihil uitkwam. Volgens de Belastingdienst was verrekening niet mogelijk voor het deel van de winst dat moest worden toegerekend aan de ontbonden dochtermaatschappij. De Belastingdienst baseerde dat standpunt op bepalingen in de wet waarin de fiscale eenheid wordt geregeld.
 
De rechtbank Den Haag oordeelde dat deze bepalingen niet van toepassing zijn, omdat er in 2009 en 2010 geen fiscale eenheid was. Winstsplitsing was niet aan de orde. Er was ook geen sprake van een dochtermaatschappij die de fiscale eenheid had verlaten. Volgens de rechtbank heeft de wetgever in het geval van ontbinding en vereffening van de enige dochtermaatschappij bewust afgezien van een voorschrift over de verrekening van voorvoegingsverliezen van de moedermaatschappij met latere winsten.

Bron: ABAB

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Vennootschapsbelasting

511

Gerelateerde artikelen