Opgebouwde dienstjaren van werknemers lopen door als zij in dienst treden bij een ‘opvolgend werkgever'. Dit kan onder andere van invloed zijn op de berekening van de transitievergoeding bij een eventueel toekomstig ontslag.
Vóór de invoering van de WWZ heeft de Hoge Raad meermaals uitgesproken wanneer sprake is van opvolgend werkgeverschap bij doorstart na faillissement. De werknemer moest daarvoor bij de nieuwe werkgever hetzelfde of soortgelijk werk verrichten én tussen de oude en de nieuwe werkgever moesten zodanige banden (het zogenaamde ‘bandencriterium') bestaan dat het inzicht dat de oude werkgever op grond van zijn ervaringen met de werknemer had opgedaan, ook kon worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. Bij een doorstart na faillissement werd -vóór de WWZ- aan dit bandencriterium vaak niet voldaan, waardoor er in een dergelijk geval niet snel sprake was van opvolgend werkgeverschap.
 
Echter, sinds de invoering van de WWZ is dit bandencriterium komen te vervallen. Ingevolge het huidige artikel 7:668a lid 2 BW is sprake van opvolgend werkgeverschap "ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer". De werknemer volgt derhalve het werk. Wel is hierbij van belang dat de aanleiding voor de overstap naar een doorstartende ondernemer bij de werkgever ligt. Indien het initiatief bij de werkgever ligt (bijvoorbeeld bij een organisatorische wijziging) en de werkzaamheden van de werknemer nagenoeg gelijk blijven, zal er al snel sprake zijn van opvolgend werkgeverschap.
 
Is er sprake van opvolgend werkgeverschap dan worden voor de berekening van de transitievergoeding (als de werknemers op een gegeven moment ontslagen worden) de dienstjaren vóór faillissement meegeteld. De doorstartende werkgever kan dan een hoge rekening aan transitievergoedingen gepresenteerd krijgen!
 
 

Bron: Baker Tilly Berk

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Arbeidsrecht

0

Gerelateerde artikelen