In dit bericht staan alle maatregelen uit het Belastingpakket 2017 op het gebied van de vennootschapsbelasting.

Belastingplan 2017

  • De eerste tariefschijf van de vennootschapsbelasting van 20% wordt in 2018 verlengd van € 200.000 naar € 250.000, in 2020 naar € 300.000 en in 2021 naar € 350.000.
  • Innovatiebox: de nexusbenadering en de toegangscriteria worden geïmplementeerd.
    De nexusbenadering betekent dat, indien een gedeelte van de uitgaven van een belastingplichtige verband houdt met het uitbesteden van speur- en ontwikkelingswerk aan verbonden lichamen, een navenant deel van de voordelen niet in aanmerking komt voor de innovatiebox. Hiervoor geldt een bepaalde formule.
    In de wet wordt opgenomen dat ingeval een onderneming een immaterieel activum verkrijgt en doorontwikkelt, het aangekochte activum zelf niet kwalificeert voor de innovatiebox. Er komt geen tegenbewijsregeling voor de nexusbenadering.
    De vereiste aanpassingen in de toegang tot de innovatiebox worden geïmplementeerd. Daarnaast wordt de S&O-verklaring centraal gesteld als toegangsticket voor de innovatiebox. Voor ieder (samenhangend) immaterieel activum is vereist dat het voortvloeit uit speur- en ontwikkelingswerk waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven. Bij belastingplichtigen die gemiddeld over vijf jaar bezien een nettogroepsomzet hebben van meer dan € 50 miljoen per jaar (€ 250 miljoen over 5 jaar) of brutovoordelen behalen uit innovatieve activa van meer dan € 7,5 miljoen per jaar (€ 37,5 miljoen over 5 jaar), vindt de innovatiebox slechts toepassing indien de belastingplichtige beschikt over een mogelijke toegangsticket. Toegangstickets zijn octrooien, uitility models (gebruiksmodel), kwekersrechten, weesgeneesmiddelen en aanvullende beschermingscertificaten, programmatuur en overige activa die niet voor de hand liggen en nieuw en nuttig zijn.
    Er geldt overgangsrecht voor immateriële activa die uiterlijk 30 juni 2016 zijn voortgebracht. Ook geldt overgangsrecht voor activa die voor 1 januari 2017 zijn voortgebracht, maar waarvoor geen S&O-verklaring is afgegeven.
  • Wijziging van enkele specifieke renteaftrekbeperkingen.
    De berekeningssystematiek van de overnameholdingbepaling wordt aangescherpt voor het geval een overnameschuld door middel van een zogeheten ‘debt-push down' van het niveau van de overnameholding naar het niveau van de overgenomen vennootschap verplaatst wordt.
    De termijn van zeven jaar, waarbinnen de financiering moet worden afgebouwd van ten hoogste 60% van de verkrijgingsprijs naar ten hoogste 25% van de verkrijgingsprijs, wordt nader aangescherpt.
    Het eerbiedigende overgangsrecht is niet meer van toepassing in de specifieke situatie dat een overnameholding op of na 1 januari 2017 in een nieuwe fiscale eenheid met een andere moeder wordt opgenomen.
    Tevens is voorzien in een aanpassing in de renteaftrekbeperking gericht tegen winstdrainage. Er wordt wettelijk vastgelegd dat ook sprake is van "verbondenheid" bij de aanwezigheid van een samenwerkende groep.
  • In de dividendbelasting wordt een teruggaafregeling ingevoerd voor niet-ingezetenen. In de inkomstenbelasting wordt geregeld dat ook bij (niet-kwalificerende) buitenlandse belastingplichtigen met een box 3-vermogen het heffingvrije vermogen in aanmerking wordt genomen. Dit betreft de codificatie van een beleidsbesluit (V-N 2016/26.10TaxVisions editie 13 mei 2016).

Overige fiscale maatregelen 2017

  • Verduidelijking quasi-inbestedingsvrijstelling overheidslichamen
    Voorgesteld wordt de quasi-inbestedingsvrijstelling niet van toepassing te laten zijn op het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen die bij de afnemer worden aangewend ten behoeve van belaste (niet-vrijgestelde) activiteiten. Eveneens wordt voorgesteld de vrijstelling voor interne diensten niet van toepassing te laten zijn op het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen die bij de afnemer worden aangewend ten behoeve van belaste (niet vrijgestelde) activiteiten.
    De wijzigingen vinden voor het eerst toepassing op boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017. 
  • Vennootschapsbelastingplicht SNS-vennootschappen
    De vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen vindt voor het eerst toepassing voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016. In het najaar van 2015 heeft een herstructurering van het SNS-concern plaatsgevonden, waardoor – zonder aanvullende maatregelen – gedurende de laatste maanden van 2015 een periode van niet-belastingplicht voor de vennootschapsbelasting zou ontstaan voor (voormalige) onderdelen van het SNS-concern. De belastingplicht wordt daarom voor de periode van 30 september 2015 tot en met 31 december 2015 expliciet geregeld voor deze rechtspersonen.

Fiscale vereenvoudigingswet 2017

  • Inhoudingsvrijstelling dividendbelasting vrijgestelde Vpb-lichamen
    Met dit wetsvoorstel wordt onder voorwaarden, naast de bestaande teruggaafmogelijkheid, een inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting geïntroduceerd voor opbrengsten die worden ontvangen door lichamen die (deels) niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen (alsmede voor daarmee vergelijkbare buitenlandse lichamen).
    Deze inhoudingsvrijstelling wordt geïntroduceerd ter vermindering van de administratieve lasten van opbrengstgerechtigden. Toepassing van de voorgestelde inhoudingsvrijstelling betekent dat bij de uitkering van dividenden of opbrengsten uit winstbewijzen of bepaalde hybride leningen de inhoudingsplichtige geen dividendbelasting hoeft in te houden, waardoor de opbrengstgerechtigde de dividendbelasting niet meer achteraf terug hoeft te vragen. Hiermee wordt het liquiditeitsnadeel voor de opbrengstgerechtigde weggenomen en wordt het rondpompen van liquide middelen teruggedrongen.
  • Aanpassing zesmaandentermijn bij opteren belastingplicht vennootschapsbelasting
    De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voorziet in een vrijstelling van belasting voor stichtingen en verenigingen met beperkt winstgevende ondernemingsactiviteiten. Het is soms echter voordeliger om te opteren voor belastingplicht. Een verzoek daartoe dient onder de huidige wetgeving binnen zes maanden na het einde van het desbetreffende jaar te worden ingediend. In de praktijk blijkt deze termijn te kort. Daarom wordt nu voorgesteld te bepalen dat het verzoek uiterlijk gelijktijdig met het indienen van de aangifte gedaan dient te worden.

Zie ook:

Bron: Redactie TaxLive

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Dividendbelasting

Dossiers: Prinsjesdag 2016

1

Gerelateerde artikelen