Sinds 2018 is het niet meer mogelijk om bij fiscaal verzet de tenuitvoerlegging van een dwanginvordering wettelijk op te schorten. Uit een evaluatie volgt dat hierdoor het aantal verzetsdagvaardingen aanzienlijk is gedaald. Daarmee is volgens staatssecretaris Vijlbrief van Financiën het beoogde beleidsdoel gerealiseerd. Voor fiscaal advocaat Ferry Piek bewijst de evaluatie juist het tegendeel: de onmisbaarheid van de schorsende werking in de Invorderingswet.

Streep door schorsende werking

Tot 2018 bevatte de Invorderingswet ‘de schorsende werking van het verzet’. Wanneer de ontvanger van de Belastingdienst een dwangbevel uitvaardigt kan de betreffende belastingschuldige tegen de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Door het instellen van dit verzet werd tot 1 januari 2018 de tenuitvoerlegging van het dwangbevel opgeschort tot de civiele rechter had gesproken. Met de afschaffing van ‘de schorsende werking van het verzet’ is dit enige stukje daadwerkelijke rechtsbescherming om een executieverkoop tegen te houden, komen te vervallen.

Reden voor afschaffing was een signaal vanuit de Belastingdienst dat de praktijk de schorsende werking bij fiscaal verzet oneigenlijk gebruikt als manier om de dwanginvordering te vertragen. Al bij de invoering van de schorsende werking in 1990 werd door de wetgever aangegeven dat bij veelvuldig misbruik dit wettelijk middel weer zou worden afgeschaft. Dat is dan ook gebeurd per 1 januari 2018.

Tegenargumenten

Volgens Piek, partner van KanPiek Fiscale Advocatuur, valt het nodige af te dingen op het misbruik-argument. “In de parlementaire stukken bij de afschaffing van de schorsende werking werd aangegeven dat een fiscaal verzet vaak vlak (soms zelfs daags) voor de executoriale verkoop werd ingesteld en dat verzet uitsluitend werd ingesteld om inning van onherroepelijk vaststaande belastingaanslagen uit te stellen. Dat wekt de indruk dat fiscaal verzet bij voorbaat kansloos is en een schorsende werking de inning van belastingschulden door een executieverkoop alleen maar onnodig vertraagt. Fiscaal verzet ziet echter op veel meer situaties. Zo zijn er gevallen waarin de belastingaanslagen nog worden getoetst door de fiscale rechter, terwijl de ontvanger al aan het invorderen is. En onherroepelijk vaststaande aanslagen kunnen net zo materieel onverschuldigd zijn als niet onherroepelijk vaststaande aanslagen. Een executieverkoop is dan onrechtmatig, terwijl dit zonder rechterlijke toets nu gewoon kan plaatsvinden.”

Vertekend beeld

Ook de voor de afschaffing van de schorsende werking gebruikte cijfers geven een vertekend beeld. Piek: “Er is aangegeven dat in de periode 2004 tot en met 2016 de rechter het fiscaal verzet slechts in 14 van de 868 zaken (gedeeltelijk) gegrond heeft verklaard. Dat die cijfers aanleiding zijn geweest om de schorsende werking buiten spel te zetten, blijf ik schokkend vinden. Het betekent dat in minimaal 14 gevallen een ontvanger bezig is geweest een bedrijf of een burger ten onrechte de nek om te draaien en daar ook in zou zijn geslaagd als de rechter hier geen stokje voor had gestoken. Dit toont juist aan hoe belangrijk die schorsende werking voor de praktijk is. Beter tien keer misbruik dan één keer een gegrond verzet. En de cijfers vertonen sowieso een vertekend beeld omdat kort gedingen hierin waarschijnlijk niet zijn meegenomen omdat de ontvanger deze spoedprocedures niet als verzetprocedures aanmerkt.”

Evaluatie

Uit een recent verschenen evaluatie over de afschaffing van de schorsende werking bij fiscaal verzet blijkt dat het aantal ingediende verzetsdagvaardingen aanzienlijk is gedaald en dat bij verzetten die nog wel worden ingediend er nu vaker een inhoudelijke discussie wordt gevoerd. In een reactie op deze evaluatie uitgevoerd door het Ministerie van Financiën schrijft demissionair staatssecretaris Vijlbrief dat de gevolgen van de afschaffing van de schorsende werking in lijn zijn met het beoogde beleidsdoel.

Onmisbaar

Voor Piek toont de evaluatie juist het tegendeel: de wettelijke schorsende werking bij fiscaal verzet is broodnodig. “Dat er nagenoeg geen fiscaal verzet meer wordt ingesteld, komt omdat zonder schorsende werking de wettelijke verzetsprocedure een wassen neus is geworden. Je kunt wel in verzet gaan, maar dan is het kwaad al geschied. Zonder schorsende werking kan de ontvanger zijn acties alvast doorzetten met als gevolg onherroepelijke maatregelen zoals de inbeslagname van je bedrijfsinventaris en bankrekeningen, loonbeslag en het leggen van beslag op en openbaar verkopen van je woonhuis. Kortom, fiscaal verzet is zinloos als de tenuitvoerlegging al heeft plaatsgevonden.”

Leidraad Invordering

Maar zo’n vaart zal het toch niet lopen? In de Leidraad Invordering staat namelijk dat de ontvanger bij fiscaal verzet de tenuitvoerlegging van zijn dwangbevel aanhoudt tenzij de gronden van het verzet naar zijn oordeel hiertoe geen aanleiding vormen én de belangen van de Staat worden geschaad door uitstel van de tenuitvoerlegging. Naar aanleiding van de evaluatie wordt de tekst in de Leidraad Invordering per 1 januari aanstaande zelfs verder aangescherpt. Dan wordt bij fiscaal verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet aangehouden als de gronden van het verzet naar het oordeel van de ontvanger kansloos zijn én de belangen van de Staat zich verzetten tegen schorsing van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

Alle touwtjes in handen

Piek benadrukt dat een beleidsdocument als de Leidraad Invordering geen wettelijke bescherming biedt. “De ontvanger heeft alle touwtjes in handen. Hij vaardigt zelf een dwangbevel uit – dat levert hem zonder rechterlijke tussenkomst een executoriale titel op – en hij bepaalt de kansen van het fiscaal verzet én de belangen van de Staat om wel of niet over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, zonder dat er enige rechterlijke toets heeft plaatsgevonden. Belastingschuldigen zijn dus overgeleverd aan de mening van de ontvanger die ook nog de tenuitvoerlegger is. Dit is de slager die zijn eigen vlees keurt en druist volledig in tegen een arrest van 1 mei 2015 waarin de Hoge Raad beslist dat alleen door een rechterlijke beslissing de schorsende werking aan het verzet kan worden ontnomen. Rechtsbescherming impliceert toegang tot een rechter als het oordeel van die rechter nog zin heeft, en dat is afgeschaft.”

Rechtsbescherming

Tot 2018 moest de ontvanger de rechter vragen om de schorsende werking van het fiscaal verzet op te heffen. Nu moet de belastingschuldige een procedure starten om die schorsende werking te krijgen. “Dan kan zoals gezegd het kwaad van inbeslagname en executoriale verkoop door de ontvanger al zijn geschied,” herhaalt Piek zijn boodschap. “Ik vind dit niet het toonbeeld van een overheid die zegt bezig te zijn met de verbetering van de rechtsbescherming. Als de rechtsbescherming echt zo hoog in het vaandel staat, ontzeg dan belastingschuldigen in het nauw niet langer het enige redmiddel tegen onrechtmatige tenuitvoerlegging en zet de schorsende werking bij fiscaal verzet terug in de Invorderingswet.”

Bron: Redacteur Marit Muller

Rubriek: Invordering

Informatiesoort: Interviews, Nieuws

Carrousel: Carrousel

Focus: Focus

  936
Gerelateerde artikelen