Het wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap roept veel vragen op, zoals over de positie van de ab-houder en zijn partner. In de praktijk zijn veel complicaties te verwachten, met name als het fiscaal partnerschap eindigt. De redactie van Vakstudie Nieuws heeft de indruk dat de wetgever zich hier onvoldoende van bewust is. De wetgever geeft in elk geval een te eenvoudige voorstelling van zaken.

Te eenvoudige voorstelling van zaken

De nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap bevat geen diepgaande antwoorden op vragen over het fiscaal partnerschap. De staatssecretaris van Financiën maakt nogmaals duidelijk dat voor de maximumgrens van € 500.000 de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder (ab-houder) en zijn fiscaal partner gezamenlijk in aanmerking worden genomen. Het maakt daarbij niet uit of één of beide partners een aanmerkelijk belang hebben in één of meerdere vennootschappen.

Zodra de gezamenlijke relevante schulden boven de € 500.000-grens uitkomen, is het meerdere een fictief regulier voordeel in box 2. En omdat dit een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel is, kunnen fiscaal partners kiezen aan wie zij het fictief regulier voordeel in de aangifte inkomstenbelasting toerekenen.

Complicaties

Ongeacht aan wie de (excessieve) lening is verstrekt en tot welk bedrag, kan het fictieve voordeel dus naar keuze worden toegerekend aan de partners. De invloed van die keuze als het partnerschap eindigt verdient een nadere beschouwing. Wat zijn de gevolgen als een schuld van de ene partner naderhand wordt afgelost, terwijl het daarmee corresponderende fictieve reguliere voordeel juist bij de andere partner in aanmerking is genomen? Met deze openstaande vraag illustreert de V-N redactie de veelheid aan te bedenken praktische complicaties bij het einde van het fiscale partnerschap.

Al bij het indienen van een aangifte, waarin een fictief regulier voordeel wordt verwerkt, moeten fiscaal partners bedenken of het wenselijk is contractueel te anticiperen op de situatie dat het partnerschap eindigt. Interessant zijn ook de gevallen, waarin een lening wordt verstrekt aan een niet in gemeenschap van goederen gehuwde partner, terwijl de andere partner het aanmerkelijk belang heeft. Wie draait dan op voor de aanmerkelijkbelangheffing over het fictief regulier voordeel?

Onbewust en te eenvoudig

De V-N redactie vreest dat de praktijk dergelijke complicaties onvoldoende zal doorzien. Ook heeft zij de indruk dat de wetgever zich onvoldoende bewust is van deze aspecten of in elk geval een te eenvoudige voorstelling van zaken geeft.

Nadere regels

Pas op een later moment volgen in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere regels voor het vaststellen van het maximumbedrag van € 500.000 als de ab-houder niet het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft. Dat later moment kan goed aan het eind van het wetgevingstraject zijn. Dat de staatssecretaris de AMvB nog niet in concept publiceert, vindt de V-N redactie bezwaarlijk. Voorafgaand aan het aannemen van een wetsvoorstel moet duidelijkheid bestaan over de inhoud. Door de Tweede Kamer een concept van de AMvB te onthouden, kan de Kamer de voorgestelde partnersystematiek niet volledig beoordelen. Daarom hoopt de V-N redactie dat het concept alsnog volgt voordat de Tweede Kamer de behandeling van het wetsvoorstel afrondt.

Openstaande vragen

Inmiddels is duidelijk dat een tweede schriftelijke ronde van vragen en antwoorden volgt. Op 29 januari 2021 is het nader verslag ingediend. Hierin stelt de Tweede Kamer ook aanvullende vragen over het fiscaal partnerschap. Zo vraagt de CDA-fractie om een rechtvaardiging van het feit dat twee ab-houders met een lening van € 500.000 bij de eigen vennootschap onder de excessief lenen-maatregel gaan vallen vanaf het moment dat zij gaan trouwen of op een andere manier fiscaal partner worden.

De Tweede Kamer vraagt in het nader verslag de staatssecretaris ook om in te gaan op de 68 vragen van de NOB die niet of nog onvoldoende zijn beantwoord. Enkele van die vragen zien op het fiscale partnerschap. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als partners scheiden en één van de partners de aandelen in de bv overneemt? Mag dan een negatief fictief regulier voordeel in aanmerking worden genomen en zo ja, voor welk bedrag en bij wie?

Zullen al deze gestelde vragen uiteindelijk leiden tot meer duidelijkheid over de positie van fiscale (ex-)partners met (excessieve) schulden bij de bv? Het antwoord op die vraag moet binnenkort blijken uit de reactie van de staatssecretaris op het nader verslag bij het wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap.

------------------------------------------

Lees het hele commentaar in Vakstudie Nieuws V-N 2021/8.3

Bron: Redactie TaxLive

Informatiesoort: Nieuws, Navigatornieuws

Carrousel: Carrousel

Focus: Focus

Rubriek: Inkomstenbelasting

  1455
Gerelateerde artikelen