Een met de eigen woning geschakelde woning is geen aanhorigheid. Omdat beide woningen een aparte voordeur hebben en als afzonderlijke woning in gebruik zijn geweest is ook niet sprake van één woning. De Hoge Raad verklaart het beroep niet ontvankelijk omdat het geen kans van slagen heeft.

De zaak (22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1776) verloopt als volgt. Een man bezit twee ‘geschakelde’ woningen. Eén van de woningen heeft hij anders dan tijdelijk in gebruik als hoofdverblijf. De andere woning staat leeg. De man is van mening dat de leegstaande woning als aanhorigheid moet worden aangemerkt. De inspecteur stelt dat er geen sprake is van een aanhorigheid en rekent de leegstaande woning bij het veststellen van de aanslag over 2014 tot het box 3-vermogen.

Hof Arnhem-Leeuwarden (14 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1278) is van mening dat de leegstaande woning geen eigen woning voor de man is. Naar het oordeel van het hof vormt het feit dat de woningen als twee-onder-een-kap/duowoningen zijn gebouwd met een enkelsteensmuur als afscheiding en een afsluitbare tussendeur, niet maakt dat zij gezamenlijk één woning zijn. Van belang is dat beide woningen hun eigen voordeur hebben en vroeger als afzonderlijke woningen in gebruik waren. De aanwezigheid van een gezamenlijke riool- en wateraansluiting en opstalverzekering maakt ook niet dat de woningen bij elkaar horen. De inspecteur heeft de leegstaande woning terecht tot het box 3-vermogen gerekend.

De man is overtuigd van zijn gelijk en gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen en maakt gebruik van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.

Belang voor de praktijk

Art. 3.111 lid 1 Wet IB 2001  bepaalt dat als eigen woning mede wordt beschouwd de 'daartoe behorende aanhorigheden'. De Hoge Raad heeft al in 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC5412, BNB 1993/281) aangegeven dat er sprake is van een aanhorigheid als een gebouw: 

  1. hoort bij de woning; en 
  2. in gebruik is bij de woning; en 
  3. dienstbaar is aan de woning.

Daarbij zijn de omstandigheden van het geval bepalend voor het oordeel of een gebouw en/of terrein als aanhorigheid kan worden aangemerkt. Nabijheid, functie, het feitelijk gebruik en inrichting spelen hierbij een rol. Uit wet en jurisprudentie blijkt dat voor het begrip aanhorigheid een feitelijk gebruik niet wordt vereist; het gebruikt kunnen worden is voldoende. De aanhorigheid mag echter niet ter beschikking gesteld zijn of zijn geweest aan een ander, omdat dan geen sprake is van dienstbaar zijn aan de woning. De aanhouder wint…. maar niet altijd.

Saillant detail bij deze procedure is dat de man over de aanslagen van 2012 en 2013 heeft geprocedeerd op soortgelijke gronden als die in het onderhavige geschil aan de orde zijn. Het hof heeft daarin op 28 januari 2020 uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHARL:2020:791). Het daartegen door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 20 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1819) ongegrond verklaard.

Bron: Legal & Tax Nationale Nederlanden

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Inkomstenbelasting

518

Gerelateerde artikelen