Op 1 januari 2016 trad het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2016 in werking en werd het voor rechtbanken en gerechtshoven mogelijk om prejudiciële vragen te stellen aan de belastingkamer van de Hoge Raad. Dat was per 1 juli 2012 al mogelijk in civiele zaken en is sinds oktober 2022 ook in strafzaken mogelijk. In die tien jaar werden in 31 belastingzaken prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.
Van de 31 zaken zijn in 27 zaken de vragen beantwoord en ligt er nog één zaak ter afhandeling voor bij de Hoge Raad. Voorbeelden van zaken waarin vragen zijn gesteld zijn zaken over rechterlijke toetsing van kosten bij naheffing van parkeerbelasting, over de invulling van het begrip ‘in wezen nieuwbouw’ voor de omzetbelasting, over de fiscale verwerking van afkoopsommen bij renteswaps en over het na massaal bezwaar wijzigen van de verdeling van de heffingsgrondslag voor box 3 tussen fiscale partners.
Een prejudiciële vraag is een vraag van een rechter aan een hogere rechter, in dit geval de Hoge Raad, over de uitleg van een rechtsregel. Aan het antwoord op zulke vragen kan behoefte bestaan als de rechtsregel niet duidelijk is en de Hoge Raad daarover nog niet eerder heeft beslist. Het moet gaan om vragen die zich voordoen in een concrete zaak die bij een rechtbank of gerechtshof in behandeling is.
De mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vagen is verbonden aan een aantal voorwaarden: zo moet een antwoord op de vraag nodig zijn voor het nemen van een beslissing in die zaak. Bovendien moet de vraag breder spelen. Op donderdag 2 april 2026 werd aan het tienjarig jubileum een symposium gewijd bij de Hoge Raad.
Bron: Hoge Raad
Informatiesoort: Nieuws
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht