Het kabinet wil dat belastingadviseurs informatie met elkaar gaan delen over 'dubieuze' klanten. Dat hier sprake is van ouderwets 'klikken', zover wil fiscaal advocaat Arnaud Booij niet gaan. Maar dat de maatregel pijn doet aan de vertrouwensfunctie van belastingadviseurs en de voor hen toch al zware compliance-last vergroot, dat wil hij wel onderkennen. 

Stevige aanpak

Het kabinet pakt stevig door in de strijd tegen witwassen. De geïmplementeerde maatregelen uit de Europese Vierde anti-witwasrichtlijn zijn daarbij niet voldoende. In het wetsvoorstel Plan van aanpak witwassen gaan minister Hoekstra (Financiën) en minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) een stap verder. Dit conceptvoorstel, waarvan de internetconsultatie zojuist is gesloten, bevat drie nieuwe maatregelen om witwassen aan te pakken. Eén van die maatregelen betreft een verplichting voor Wwft-instellingen, waaronder belastingadviseurs, om bij verscherpt cliëntenonderzoek een onderzoek te verrichten naar mogelijke integriteitrisico’s en hierover navraag te doen bij de vorige dienstverleners van de (potentiële) klant. Die vorige dienstverlener moet vervolgens verplicht en onmiddellijk informatie delen als hij daadwerkelijk dergelijke risico’s heeft geconstateerd. Wwft-instellingen zijn met deze gedeelde informatie beter in staat om hun cliëntenonderzoek risicogebaseerd in te richten waardoor de poortwachtersfunctie wordt versterkt. Dit valt te lezen in de memorie van toelichting bij het conceptwetsvoorstel.

Geen klikken

“Je kunt de maatregel niet lukraak scharen onder de noemer ‘klikken’ over de klant door de voormalig adviseur. Daarvoor is de maatregel te beperkt en te gedetailleerd,” zegt Booij, partner van fiscaal advocatenkantoor Booij Bikkers en docent aan de Universiteit Leiden. Hij benadrukt dat het verplicht delen van informatie enkel om de hoek komt kijken als de klant bij de nieuwe of huidig belastingadviseur onder het verscherpt cliëntenonderzoek valt. Er moet dus al sprake zijn van een verhoogd risico op witwassen. En ondanks dat er weer een onderzoeks- en informatieverplichting bijkomt, is de maatregel ook nuttig. Niet alleen voor de nieuwe adviseur die met de verstrekte informatie beter kan afwegen of hij wel of niet met de potentiële klant in zee wil gaan, maar ook voor de bestaande adviseur. Deze kan hiermee inschatten of hij de dienstverlening aan zijn klant, die is komen te vallen onder verscherpt cliëntenonderzoek, moet beëindigen.”

Ethisch dilemma

Booij ziet wel een ethisch dilemma voor de oude belastingadviseur die met het delen van bepaalde informatie over zijn voormalige klant een stuk van zijn vertrouwensfunctie prijsgeeft. “Het verplicht verstrekken van informatie die voor de oude adviseur heeft geleid tot het verbreken van de zakelijke relatie strookt niet met de vertrouwensband die adviseurs opbouwen met hun klanten. Zie daar het pijnlijke ethische dilemma: loyaliteit tegenover je klant versus je taak als onbezoldigd Wwft-opsporingsambtenaar voor de overheid.”

Categorie-vereiste

De verplichting tot het verrichten van onderzoek naar eerdere en eventueel geweigerde dienstverlening of naar huidige dienstverleners die de (potentiële) klant eveneens bedienen, geldt alleen binnen dezelfde categorie Wwft-instellingen. Een belastingadviseur hoeft dus alleen onderzoek te doen naar eerdere dienstverlening bij andere belastingadviseurs. Toch zit in deze categorie-vereiste meteen een onduidelijkheid waar Booij op wijst. “Het conceptwetsvoorstel knoopt aan bij de in de Wwft genoemde categorieën van instellingen die onder deze wet vallen. Meer specifiek valt de belastingadviseur onder artikel 1a lid vier onderdeel a van de Wwft. In die bepaling zit een glijdende schaal van vergelijkbare dienstverleners. Je kunt je dus afvragen of de belastingadviseur ook informatie moet inwinnen als de vorige dienstverlener bijvoorbeeld een advocaat-belastingkundige was of een accountantskantoor die ook belastingadvies verleende aan de klant. Met andere woorden, wanneer valt de vergelijkbare dienstverlening onder dezelfde subcategorie?”

Een andere openstaande vraag volgens Booij is de vraag hoe ver terug te gaan in de tijd. “De regel is dat er bij een verscherpt cliëntenonderzoek navraag naar gebleken integriteitrisico’s wordt gedaan bij de vorige dienstverleners van de klant, de nog bestaande dienstverleners en de dienstverleners die hun diensten hebben geweigerd aan de klant. Dat kunnen er over een lange periode dus heel wat zijn. Een restrictie in tijd is welkom, maar daarover is niets terug te vinden in de stukken.”

Welke informatie?

De nieuwe verplichting tot onderzoek en navraag en de verplichting tot het delen van informatie kennen meer onduidelijkheden, zoals over wat er nu precies moet worden uitgewisseld. Booij: “Het moet gaan om informatie over gebleken integriteitrisico’s. Wat daar precies allemaal onder valt, daarvoor bieden het conceptwetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting te weinig aanknopingspunten. Zijn dat stukken of voldoet een e-mail waarin de eerdere adviseur aangeeft dat er integriteitrisico’s zijn en waar die op zien? Wat in elk geval niet mag worden gedeeld is een melding ongebruikelijke transacties want daarvoor geldt het ‘tipping-off’ verbod. De te verstrekken informatie kan wel betrekking hebben op andere transacties. Dat volgt uit een andere maatregel uit het conceptwetsvoorstel waarmee het uitwisselen van transactiegegevens tussen Wwft-instellingen wordt geregeld. Voor een belastingadviseur kan een transactie in de zin van de Wwft ook een advies zijn of het opzetten van een structuur.”

Booij vervolgt dat de eerdere belastingadviseur die informatie moet verstrekken er verstandig aandoet in het Wwft-dossier van zijn voormalige klant vast te leggen welke informatie hij heeft verstrekt aan de nieuwe adviseur en waarom. “Deel in ieder geval niet het hele klantdossier met de nieuwe adviseur die navraag doet naar integriteitrisico’s. Het moet alleen gaan om informatie waarmee de nieuwe adviseur kan beoordelen of er ook voor hem sprake is van integriteitrisico’s.”

De nieuwe adviseur zal moeten besluiten wat hij met de verstrekte informatie gaat doen. “Hij moet in elk geval iets doen,” zegt Booij. “Niets doen is geen optie want dat leidt tot forse boetes. De nieuwe adviseur zal moeten afwegen of hij de potentiële klant aanneemt of misschien moet hij wel een melding doen van een ongebruikelijke transactie. Wat hij precies doet met de nieuwe informatie en waar die informatie precies uit bestaat zal hij moeten toevoegen aan het Wwft-dossier.”

Lastenverzwaring

Al met al leidt de nieuwe onderzoeksverplichting bij verscherpt cliëntenonderzoek en de daaruit voortvloeiende verplichte uitwisseling van informatie over integriteitsrisico’s tot een verdere verzwaring van de compliance-last van belastingadviseurs. Zij moeten hun Wwft-beleid hierop aanpassen,” vult Booij aan, “en daar ook naar handelen. Zij zullen hun klanten ook op de hoogte moeten stellen, bijvoorbeeld in de opdrachtbevestiging, dat, ingeval van verscherpt cliëntenonderzoek, er mogelijk informatie wordt ingewonnen bij voormalig adviseurs. Ik vraag mij af of deze verzwaring van de compliance-last de toets van proportionaliteit wel doorstaat.”

Liever mogen dan moeten

Wat Booij tegenstaat is de met boete afdwingbaarheid van de nieuwe onderzoeks- en informatieverplichting, temeer omdat deze niet voortvloeit uit de Vierde anti-witwasrichtlijn. “Bij verscherpt cliëntenonderzoek wil je als adviseur echt wel weten hoe het precies zit. Je wilt per slot van rekening niet het risico lopen dat je onbedoeld meewerkt aan witwaspraktijken. Haal daarom de verplichting eraf en creëer een wettelijke mogelijkheid voor de uitwisseling van informatie over (potentiële) klanten tussen belastingadviseurs. Dat oogt een stuk vriendelijker met wellicht hetzelfde effect.”

Bron: Redacteur Marit Muller

Informatiesoort: Interviews, Nieuws

Carrousel: Carrousel

Focus: Focus

Rubriek: Belastingrecht algemeen

  1991
Gerelateerde artikelen