In haar commentaar op de Fiscale Verzamelwet 2023 stelt de NOB een aantal vragen over de introductie van de rentestop voor naheffingsaanslagen. De voorgestelde rentestop treedt in werking op 1 januari 2023. Voor de omzetbelasting is echter aangegeven dat de rentestop uiterlijk medio 2026 in werking treedt. Volgens de Orde kan de rentestop ook voor de omzetbelasting per 1 januari 2023 worden toegepast, ondanks dat het uitvoeringstechnisch niet automatisch toegepast kan worden. De wetgever kan er namelijk voor kiezen om op te nemen dat de belastingplichtige voor de omzetbelasting kan verzoeken om toepassing van een rentestop. De Orde verzoekt nader toe te lichten of een rentestop op verzoek voor de omzetbelasting een haalbare optie is.

Als gevolg van een gewijzigde invulling van het begrip ‘geldlening’ in de Wet dividendbelasting 1965 kunnen fiscale beleggingsinstellingen geen afdrachtvermindering meer toepassen voor bronbelasting ingehouden op de rente van obligaties. De Orde vraagt zich af of deze beperking berust op een bewuste keuze. De memorie van toelichting spreekt op dit onderdeel immers van een uitbreiding en niet van een inperking.

De NOB stelt voor om de jurisprudentie van de Hoge Raad over de werking van impliciete verliesvaststellingsbeschikkingen te codificeren. Deze jurisprudentie blijft onverkort van toepassing, ook na de voorgestelde wijziging om voor bezwaar vatbare beschikkingen, waarvan het bedrag op het aanslagbiljet is opgenomen, voor bezwaar en beroep onderdeel te laten uitmaken van de belastingaanslag.

De Orde verzoekt te verduidelijken in welke situatie de betalingskorting niet langer geldt voor voorlopige aanslagen in de vennootschapsbelasting. Vanuit het oogpunt van gelijkheid meent de Orde dat de betalingskorting moet gelden voor voorlopige aanslagen VPB die betrekking hebben op belastingschulden over een tijdvak dat vóór 1 januari 2023 is aangevangen.

De Orde pleit ervoor dat geen invorderingsmaatregelen worden getroffen, zolang de bezwaartermijn nog niet is geëindigd. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt 6 weken, terwijl voor diverse belastingaanslagen een betalingstermijn geldt van korter dan 6 weken. Dit kan ertoe leiden dat een belanghebbende al geconfronteerd wordt met invorderingsmaatregelen.

Verder stelt de NOB vragen over maatwerk in belastingrente en over de tegemoetkoming in schrijnende situaties. Ook doet de Orde een aantal aanvullende suggesties:

  • Codificatie van het Spaanse voetbalmakelaararrest (art. 7.8 Wet IB 2001)
  • Aanpassen WKR-eindheffingstarief (art. 31a lid 2 Wet LB) aan de tariefsverlaging van 1 januari 2020
  • Inwerkingtreding inhoudingsvrijstelling dividendbelasting voor lichamen die niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

Lees het gehele commentaar.

Bron: NOB

Informatiesoort: Nieuws

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Dividendbelasting, Omzetbelasting, Belastingrecht algemeen, Vennootschapsbelasting

  272
Gerelateerde artikelen