De door het kabinet voorgestelde stapsgewijze verlaging van de zelfstandigenaftrek voor ondernemers in de inkomstenbelasting is met gemengde gevoelens ontvangen. De afbouw tot € 5.000 in 2028 is voor fiscalist Ruud van den Dool echter niet afdoende. “Schaf de zelfstandigenaftrek helemaal af, zorg dat de mkb-winstvrijstelling effectief is en behoud de startersaftrek,” zo luidt zijn boodschap.

Geleidelijke afbouw

Als het aan het kabinet ligt, gaat de zelfstandigenaftrek vanaf 2020 in negen stappen omlaag van € 7.280 naar € 5.000 in 2028. De geleidelijke verlaging van deze ondernemersfaciliteit komt uit het op Prinsjesdag gepresenteerde Belastingplan 2020. Met de maatregel wil het kabinet het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen verkleinen.

Gemengde gevoelens

De stapsgewijze verlaging van de zelfstandigenaftrek roept in de praktijk gemengde gevoelens op: van weerstand tot goedkeuring en van regelrechte afkeuring, want onverantwoord, tot het verzoek om in ieder geval met de maatregel te wachten tot na de bevindingen van de Commissie Regulering van werk (Commissie Borstlap). Deze commissie voert op dit moment een breed onderzoek uit naar onder andere de positie van zzp’ers en (schijn)zelfstandigen in de arbeidsmarkt. Een afwachtende houding is echter niet wat het kabinet voor ogen heeft. Dat blijkt uit de Memorie van Toelichting bij het Belastingplan 2020, waarin het kabinet meent om nu al de afbouwstap van de zelfstandigenaftrek te moeten nemen, vooruitlopend op de resultaten van de Commissie Borstlap.

Inkomensachteruitgang?

De afbouw van de zelfstandigenaftrek verhoogt voor ondernemers de lasten op hun arbeid. Tegenover die lastenverzwaring staan echter ook maatregelen die de lasten verlichten, zoals de voorgestelde verhoging van de arbeidskorting. Daarom gaan zelfstandigen er tot en met 2028 in de meeste gevallen nog steeds op vooruit. Dat stelt het kabinet in de memorie van toelichting. “Maar hoe zit het daarna; waar wil het kabinet heen?”, vraagt Van den Dool (zelfstandig gevestigd fiscalist te Rotterdam en tevens verbonden aan de Erasmus Universiteit en bureau Vaktechniek SRA) zich af. “De afbouw van de zelfstandigenaftrek zal uiteindelijk voor ondernemers en daarmee voor veel zzp’ers resulteren in een minder gunstige inkomenspositie dan nu. Voor goed draaiende ondernemingen die vroeg of laat toch de overstap naar de bv maken, zal het effect beperkt zijn.”

Begrijpelijke afbouw?

Toch vindt Van den Dool de afbouw van de zelfstandigenaftrek een begrijpelijke en logische keuze die het kabinet op het juiste moment neemt. “Met enige regelmaat staat de zelfstandigenaftrek ter discussie en dat is terecht”, zegt Van den Dool. “Deze ooit als tijdelijk ingevoerde ondernemersfaciliteit voldoet al lang niet meer aan de toen gestelde doelstellingen: een tegemoetkoming voor de destijds minder gunstige inkomensontwikkeling in het mkb en de landbouw en het bieden van tegenwicht voor het negatieve effect van de toenmalige inflatie op het fiscale winstbegrip. De inflatieproblematiek en inkomenspolitiek dateert uit lang vervlogen tijd, nog los van het feit dat geen reden bestaat ondernemers daarvoor wel tegemoet te komen en werknemers niet.”

“Zo’n tien jaar geleden werd in de notitie fiscaal bevorderen ondernemerschap, die destijds als bijlage verscheen bij het Belastingplan 2009, ook al gesproken over de afbouw van de zelfstandigenaftrek,” vervolgt Van den Dool. “Deze ondernemersfaciliteit zou niet passen in een meer activerend belastingstelsel, faciliteert voornamelijk de zieltogende ondernemer en stimuleert ondernemersgroei niet. Vermoedelijk omdat de koopkrachtplaatjes in 2009 verkeerd uitpakten, door de net losgebarsten economische crisis, werd toen niet voor afbouw gekozen. Vanuit fiscaal en economisch perspectief zijn er ruim voldoende argumenten om de keuze tot afbouw van de zelfstandigenaftrek nu wel te maken. Het zou mij verbazen als de Commissie Borstlap straks in het eindrapport de afbouw niet tevens zou aandragen.”

Niet steekhoudend

Het argument dat de zelfstandigenaftrek dient voor de kosten die zelfstandig ondernemers hebben in tegenstelling tot werknemers, zoals kosten voor pensioenopbouw en het verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid, houdt wat Van den Dool betreft geen stand. “De ervaring leert dat ondernemers, net als bij de Fiscale Oudedagsreserve (for), de ondernemersaftrek niet voor die doeleinden gebruiken. De zelfstandigenaftrek in huidige vorm handhaven is alleen maar zinvol als de aftrek zodanig wordt vormgegeven dat daaruit de verplichting voortvloeit om daadwerkelijk geld opzij te zetten voor de oude dag en voor inkomensterugval bij arbeidsongeschiktheid. Maar daar hebben we onder andere de lijfrentefaciliteit voor.”

Stimuleer ondernemerschap

Van den Dool ziet de zelfstandigenaftrek liever helemaal van het toneel verdwijnen, ondanks het feit dat dit nadelig uitpakt voor sommige ondernemers. “De zelfstandigenaftrek past niet in het plaatje van het stimuleren van groeiend ondernemerschap. Belast ondernemers die alleen uren verkopen, als werknemers. Komt er uit het ondernemerschap meer dan alleen een arbeidsbeloning, belast dan dit meerdere inkomen lager om zo investeringen in groei te bevorderen. Dat kan door de generieke mkb-winstvrijstelling te verhogen, zonder dat daarmee het globale evenwicht tussen bijvoorbeeld de bv en het ib-ondernemerschap zoek is. En voer eventueel een aanvullende heffing in op het winstinkomen dat de ondernemer niet herinvesteert, zoals we dat ook kennen voor de ab-houder die dividend ontvangt vanuit zijn bv. En behoud tot slot de startersaftrek om de startende ondernemer de ruimte te geven voor het opbouwen van een bloeiende onderneming. De kern moet zijn dat het fiscale stelsel daadwerkelijk ondernemerschap en economische groei stimuleert. Een faciliteit voor hardwerkende zzp’ers en niet voor hardwerkende werknemers is onzin.”

Bron: Redacteur Marit Muller

Informatiesoort: Nieuws, Interviews

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

Dossiers: Prinsjesdag 2019

Rubriek: Inkomstenbelasting

  3682
Gerelateerde artikelen