Op 26 oktober 2023 nam de Tweede Kamer deze motie aan: ”constaterende dat advocaat-generaal en hoogleraar belastingrecht Peter Wattel vaststelt dat een tegenbewijsregeling grondrechtelijk onontkoombaar is in een grondrechtelijk onaanvaardbaar stelsel van gemiddelde belasting; verzoekt de regering de tegenbewijsregeling te onderzoeken en de Kamer over de uitkomsten te informeren.” (TK 36.418, nr. 93).
De reactie van de staatssecretaris van Financiën was niet echt verrassend: “Zoals in deze brief weergegeven kent een tegenbewijsregeling echter significante nadelen, waardoor het kabinet heeft besloten om hier geen wetsvoorstellen voor te doen.” (Kamerbrief met kenmerk 2023-0000251737).

Wat is hier aan de hand?

Op 1 september 2023 schreef Advocaat-Generaal Wattel een conclusie over de rechtmatigheid van de Wet rechtsherstel box 3 (V-N 2023/43.4). Dat advies aan de Hoge Raad was niet mals: ook de Wet rechtsherstel box 3 schendt het discriminatieverbod en het eigendomsrecht van het EVRM. De oplossing die het Ministerie van Financiën bedacht in de vorm van het rechtsherstel, dé oplossing voor de box 3-chaos na het Kerstarrest, blijkt kennelijk net als de oorspronkelijke box 3-wetgeving ook niet te deugen.

Samengevat luidt het oordeel van Wattel als volgt:

  • de Wet rechtsherstel box 3 (2017-2022) beantwoordt bij anderen dan spaarders niet aan het doel om box 3-heffing in overeenstemming te brengen met het Kerstarrest;
  • de wet is niet adequaat, omdat nog steeds zeer verschillend renderende of negatief renderende beleggingen belast worden naar één uniform positief rendement. Benedengemiddeld fortuinlijke beleggers betalen daardoor nog steeds teveel belasting en bovengemiddeld fortuinlijke beleggers nog steeds te weinig;
  • een gemiddelde belasting op vermogensinkomsten is juridisch een onbegaanbare weg omdat werkelijke inkomsten van belastingplichtigen niet of onvoldoende worden benaderd;
  • je moet daarbij niet – zoals het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in zijn uitspraak van 10 januari 2023 (V-N 2023/36.1.1) – kijken naar één los vermogensbestanddeel, i.c. een aandeel in VvE-reserves, maar naar het gehele werkelijke rendement over het gehele vermogen van burger;
  • als het wettelijke en het werkelijke totale rendement te ver uit elkaar liggen in het nadeel van de burger, is rechtsherstel geboden;
  • waarbij het aan de Hoge Raad is om daarbij de tolerantiemarge tussen het werkelijke en het wettelijke rendement te bepalen.

De A-G adviseert een verwijzingsuitspraak om te kijken wat het werkelijke nettorendement van het gehele vermogen van de burger is en dat te vergelijken met het rendement volgens de Wet rechtsherstel box 3.

Het arrest van de Hoge Raad, waar zo’n beetje heel Nederland naar uitkijkt, volgt waarschijnlijk in of omstreeks maart 2024.

Hoe gaat het arrest luiden?

Er zijn al meer dan 30 uitspraken van ‘lagere’ rechters die het rechtsherstel tackelen. En niet ééntje in het voordeel van de staatssecretaris. Voorop gesteld, niemand beschikt over een kristallen bol of de blauwe jurk van Jomanda waardoor hij de uitkomst al kent. Maar mede door deze conclusie van A-G Wattel is de kans dat de Hoge Raad de staatssecretaris alsnog in het gelijk stelt, zo onderhand kleiner dan de kans op het winnen van de staatsloterij. Ik kan me overigens echt niet voorstellen dat een vakman als Marnix van Rij iets anders verwacht. Maar goed, ‘it ain’t over till the fat lady sings’.

Waarom dan deze houding van de staatssecretaris?

Ik begrijp de aversie van Van Rij tegen een tegenbewijsregeling:

  1. je zult immers eerst moeten komen met een definitie van het werkelijk rendement: ga je bijvoorbeeld bij vermogensmutaties uit van heffing over vermogensaanwas of over vermogenswinst;
  2. cherry picking ligt op de loer: bij een goed beursjaar kiest de burger voor het forfaitaire stelsel, bij een slecht beursjaar voor het lagere werkelijk rendement. Dat druist in tegen het draagkrachtbeginsel en kost de Staat € 1 miljard per jaar. Een heffing over het werkelijk rendement gemeten over meerdere jaren is te complex en dus niet realiseerbaar;
  3. het vergt veel ‘doenvermogen’ van de burger: de Vooraf Ingevulde Aangifte (VIA) kan nog niet gevuld worden;
  4. de ICT van de overheid kan het nog niet aan en de Belastingdienst beschikt (nog) niet over de contra-informatie van de ketenpartners: daardoor is er angst voor foute aangiften en zelfs misbruik. Zeker omdat bij de Belastingdienst de capaciteit ontbreekt om ‘ingevulde digitale formulieren’ te controleren. Van enige handhaving zal geen sprake kunnen zijn.

Oogkleppen

Nogmaals, ik begrijp de bezwaren van een tegenbewijsregeling. Alleen wordt de naïviteit van de staatssecretaris nu welhaast ietwat lachwekkend. Hij klampt vast aan de gedachte dat het huidige rechtsherstel wél rechtsgeldig is. Een paar citaten uit voornoemde Kamerbrief:

  • “Er is geen fictieve onderverdeling van het vermogen meer, op basis waarvan wordt verondersteld dat belastingplichtigen een deel van hun vermogen beleggen.”
  • “In plaats daarvan sluit box 3 nu aan bij het werkelijk aangehouden vermogen in drie categorieën: spaargeld, overige bezittingen en schulden. Hierdoor sluit de heffing in box 3 beter aan op het werkelijke rendement dan voorheen.”
  • “Het kabinet heeft een aantal verfijningen voorgesteld in het wetsvoorstel Belastingplan 2024.”

Alsof deze argumenten het rechtsherstel in overeenstemming met het Europees recht brengen! 

Een oplossing?

Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. Mijn advies aan de (toekomstige) staatssecretaris van Financiën van het nieuwe kabinet luidt eenvoudigweg: wacht niet met de Wet werkelijk rendement box 3 tot 2027, maar voer hem al in per 1 januari 2025. Voor de box 3-heffing met peildatum 1 januari 2024 kun je nu niks meer oplossen. Dan kun je beter het nieuwe stelsel vervroegd invoeren, met alle gebreken van dien, dan nog een paar jaar doormodderen. Als je niet met een tegenbewijsregeling komt, zal elke belastingplichtige met een box 3-vermogen bezwaar en zo nodig beroep aantekenen tegen zijn aanslag. Als de Hoge Raad oordeelt dat het huidige systeem van rechtsherstel ondeugdelijk is, moet je doorgrijpen en het huidig wettelijk rechtsherstel zo snel mogelijk vervangen door een systeem dat wel deugdelijk is. Ik zou niet wachten tot maart 2024, maar nu alvast anticiperen op een voor de staatssecretaris negatief arrest. En alles uit de kast halen om de Wet werkelijk rendement al per 2025 in te voeren.

Natuurlijk heeft die versnelling grote bezwaren. Een van de grootste is dat de VIA niet gevuld zal zijn. En dat er geen of onvoldoende contra-informatie bij de Belastingdienst aanwezig zal zijn om aangiften te controleren. Maar vertrouw eens op de mens. Niet iedereen is slecht. Sterker nog, de meesten zijn goed! En voer bij opvallende aangiften steekproeven uit als controlemiddel.

De meeste burgers geven braaf hun box 3-inkomen aan zoals het hoort. Zeker die belastingplichtigen, die hun aangifte laten verzorgen door professionele accountants of belastingadviseurs, aangesloten bij beroepsorganisaties zoals RB, SRA, NBA of NOAB. En laat nou net de meeste mensen met grotere vermogens waarbij box 3-heffing spannend is, hun aangiften laten verzorgen door die beroepsgroepen. Ga eens uit van het eerlijke in de mens. De meesten hebben heus wel een deugdelijke belastingmoraal.

Het in de lucht houden van een ‘fout’ systeem, waarschijnlijk door de Hoge Raad in maart 2024 naar de bodem getorpedeerd, levert meer schade op voor onze belastingmoraal en doormodderen tot 2027 is geen optie.

Dan maar geen ICT bij de Belastingdienst die 100% op orde is. Dan maar een paar jaar geen VIA. Dan maar geen perfecte contra-informatie bij de Belastingdienst. Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan.

Informatiesoort: Column

Dossiers: Box 3

Rubriek: Inkomstenbelasting

2151

Gerelateerde artikelen