Pieter Omtzigt. Veelbesproken was zijn ‘functie elders’ bij de Kabinetsformatie uit 2021 en het vertrek van zowel hem als zijn partij uit de Tweede Kamer. Ook het amendement Omtzigt c.s. over het fiscaal inzagerecht uit het Belastingplan 2024 heeft de nodige pennen in beweging gebracht 1. Met de inwerkingtreding van de Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht (V-N 2026/4.3.5) zijn de problemen echter niet opgelost en is het stof evenmin neergedwarreld 2.
Met het amendement Omtzigt c.s. werd enerzijds beoogd om een zeer ruim, aanvullend inzagerecht in het fiscale dossier te creëren; naast de al bestaande eerste ontheffingsgrond van art. 67 lid 3 AWR 3.
Anderzijds werd, met een voor bezwaar vatbaar besluit op het inzageverzoek, voorzien in een verschuiving van de rechtsbescherming van de civiele rechter naar de fiscale bestuursrechter.
In mijn dissertatie uit 2021 heb ik een concrete aanbeveling gedaan om het verstrekken van fiscale gegevens aan betrokkenen uit te breiden. Naar mijn mening dient gestreefd te worden naar optimale transparantie; niet ongeclausuleerd, omdat inzage niet ten koste mag gaan van de efficiënte, effectieve en doelmatige uitvoering van de belastingwet of de belangen van derden. Een gezonde balans tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving dus. Het amendement Omtzigt c.s. was weliswaar overhaast en onvoldragen, maar met de achterliggende gedachte werd er wél een eerste stap gezet om het fiscale inzagerecht te verbeteren 4.
Dat het amendement Omtzigt c.s. voor de Belastingdienst feitelijk onuitvoerbaar was, werd al vrij snel duidelijk. In een eerdere column heb ik benadrukt dat de Belastingdienst onverminderd hard moet blijven werken aan de structurele verbetering van het ICT-landschap, zodat alle fiscale gegevens daadwerkelijk aan de inspecteur ter beschikking komen te staan ten behoeve van de efficiënte, effectieve en doelmatige uitvoering van de belastingwet. Onuitvoerbaarheid was aanleiding voor de Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht en het bijbehorende ingroeimodel van art. 66a en 66b AWR.
Het beoogde inzagerecht in het fiscale dossier uit het amendement Omtzigt c.s. zag echter op álle bij de Belastingdienst aanwezige gegevens en op elk willekeurig tijdstip, terwijl het inzagerecht uit art. 66a en 66b AWR is teruggebracht tot de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking.
Is dat niet de spreekwoordelijke sigaar uit eigen doos? Op grond van art. 7:4 Awb bestaat daar in principe al recht op, maar dan pas in de bezwaarfase. Wordt het inzagerecht daarmee niet een soort art. 3:45b Awb uit de internetconsultatie Wet versterking waarborgfunctie Awb (V-N 2024/19.22) ‘avant la lettre’? Maar dan wel korter en bondiger geformuleerd. Het aanvullende karakter van het fiscale inzagerecht uit het amendement Omtzigt c.s. is helaas verdwenen.
De beoogde verbetering van de rechtsbescherming door de verschuiving van de civiele rechter – ten onrechte door Omtzigt c.s. aangeduid als ‘dode mus’ - naar de fiscale bestuursrechter is feitelijk van tafel. Terecht wordt in de memorie van toelichting opgemerkt dat een stapeling van procedures zonder zelfstandig procesbelang wordt voorkomen, maar het kunnen voorleggen van een geschil over de omvang en de weigeringsgronden van de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ aan de fiscale bestuursrechter is geen verbetering van de rechtsbescherming, maar slechts een bevestiging van de reeds bestaande…
Het per saldo in tijd naar voren halen van het inzagerecht ex art. 7:4 Awb is naar mijn mening een verbetering, maar mijn voorbeeld over het subject van een diepgravend, langdurig en ingrijpend woonplaatsonderzoek dat – nadat is vastgesteld dat géén sprake is geweest van enige belastingplicht – wil weten of de aanleiding voor dat onderzoek is gelegen in de schending van zijn grondrechten, is met art. 66a AWR nog steeds niet geholpen.
De rechtsbescherming kan zelfs ook nog achteruit zijn gegaan; de belastingplichtige die in verband met een mogelijke tuchtklacht wil weten met welke argumenten zijn gemachtigde het bezwaarschrift heeft ingetrokken, kreeg op grond van art. 67 lid 2 onderdeel c AWR tot 31 december 2025 wél het namens hem gedane intrekkingsverzoek onder ogen, maar is nu aangewezen op een verzoek om ontheffing van de geheimhouding ex art. 67 lid 3 AWR (eerste ontheffingsgrond).
Het amendement Omtzigt c.s. was overhaast en onvoldragen, maar ik vraag mij af of de huidige regeling, die weliswaar uitvoerbaar is, de toets der kritiek wél kan doorstaan. Een ding is mijns inziens duidelijk; met de inwerkingtreding van de Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht is – na de aftocht van Pieter Omtzigt – de achterliggende gedachte van zijn amendement eveneens uit het Haagse verdwenen.
---------------
1 Amendement Omtzigt c.s., Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 110.
2 Kamerstukken II 2025/26, 36 816, Stb. 2025, 447.
3 De eerste ontheffingsgrond ziet op gegevensverstrekkingen aan de belastingplichtige zelf voor zover de verstrekking niet is aan te merken als ‘noodzakelijk’ of voor zover de verstrekking in art. 67, tweede lid, onderdeel c, AWR niet is uitgezonderd van de geheimhoudingsplicht.
4 Zie uitgebreider: B.M. van der Sar - Het (te) snel verschuivende landschap van het fiscale inzagerecht - TFB 2023/37.
Informatiesoort: Column
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht