De titel heeft niets te maken met de minder fraaie uitlatingen van Kamerlid Wilders. Waar gaat deze column dan wél over? Minder inzagerechten! Want minder inzagerechten betekent méér en betere rechtsbescherming. Hoe dat komt en waarom Wilders toch van pas komt, leg ik u uit.

De op de zaak betrekking hebbende stukken in fiscale procedures hebben al veel pennen in beweging gebracht. Het voldoen aan de art. 7:4 Awb c.q. art. 8:42 Awb-verplichtingen is gewoon complex en gaat helaas niet altijd goed. Dat daar volop aandacht voor is, is niet meer dan terecht. Voortdurende ophef, achterdocht en Kamervragen daarover, dragen echter niet bij aan een vermindering van het bijna institutionele wantrouwen tegen de Belastingdienst.

Bij het Belastingplan 2024 hebben Omtzigt c.s. het inzagerecht van art. 66a AWR door de Tweede Kamer gejaagd 1. Beoogd werd de rechtsbescherming van betrokkenen te verbeteren, waarbij inzage in het fiscale dossier van cruciaal belang zou zijn. Hoewel ik warm pleitbezorger ben van het inzagerecht voor de betrokkene, heb ik de nodige kritiek geleverd op het amendement; het is overhaast tot stand gekomen en het eindproduct is onvoldragen. 2 De staatssecretaris heeft aangegeven dat de inzage in het fiscaal dossier een complex traject is, de modernisering van het ICT-landschap de nodige aandacht vraagt en inzage niet voor 1 januari 2026 gerealiseerd is. 3

Mijns inziens moet de Belastingdienst onverminderd hard blijven werken aan de structurele verbetering van het ICT-landschap. Inspecteur en ontvanger hebben er immers alle belang bij dat al deze gegevens inzichtelijk en ordentelijk zijn. Alle gegevens van de Belastingdienst worden immers verwerkt ten behoeve van de efficiënte, effectieve en doelmatige uitvoering van de belastingwetten. Daarmee is de vraag wat tot het fiscale inzagedossier behoort overigens meteen beantwoord: alles!

Het fiscale inzagerecht is een lappendeken geworden met art. 7:4 en art. 5:49 Awb, art. 15 AVG, art. 66a en 67 AWR, art. 67 IW 1990, art. 10 RW 1970, (wellicht) art. 5.5 Woo én het voorgestelde art. 3:45b Awb (Wet versterking waarborgfunctie Awb). Onoverzichtelijk voor de betrokkene en onuitvoerbaar voor de Belastingdienst.

Zonder exoneratiebepaling voor procedures en zonder een zelfstandig procesbelang voorzie ik een nieuw ‘no cure no pay’-verdienmonster aan de horizon verschijnen. De procedure van een belastingplichtige die via de AVG probeert de gegevens die aan (gemeentelijke) belastingaanslagen ten grondslag liggen van tafel te krijgen, lijkt exemplarisch voor de verspilling van schaarse capaciteit bij de rechtspraak. 4

Een verdergaande en wellicht betere stap zou echter zijn om – tegelijkertijd met de aanpassing van het ICT-landschap – één eenduidige regeling voor het gehele bestuursrecht te creëren. Het voorgestelde art. 3:45b Awb kan de basis vormen, mits inzage ook mogelijk wordt als er (nog) geen formeel besluit van een bestuursorgaan ligt. In plaats van parallelle papieren werkelijkheden te creëren waarin partijen verdwalen, leiden minder verschillende inzagerechten tot méér rechtszekerheid en efficiëntere rechtsbescherming.

Het is de uitdaging voor het nieuwe kabinet – waarin beide voornoemde Kamerleden (indirect?) aan de touwtjes kunnen trekken – om met minder juist méér rechtszekerheid en rechtsbescherming te bieden.

--------------------

1 Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 110
2 TFB 2023/37
3 Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nrs. 131 en 148
4 ECLI:NL:RBZWB:2023:7274

Informatiesoort: Column

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Focus: Focus

1852

Gerelateerde artikelen