We leken in een betrekkelijk rustig vaarwater op weg naar een nieuwe wet over de box 3-belasting vanaf 2028, de Wet werkelijk rendement box 3 (WWR). De Tweede Kamer aanvaardde het wetsvoorstel op 12 februari jongstleden. Weliswaar enigszins gegijzeld door de toenmalige staatssecretaris van Financiën, Eugène Heijnen – het was slikken of stikken. Budgettaire ruimte voor versoepelingen was er niet en elke majeure wijziging van het wetsvoorstel zou leiden tot een vertraging van de invoering van de WWR, en dat kost de staat € 2,4 miljard per jaar.

Totdat de minister van Financiën Eelco Heinen op 25 februari, amper twee weken na aanvaarding van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer, de rust wreed verstoorde. Hij verklaarde tegen de pers dat hij met het wetsvoorstel ‘terug naar de tekentafel’ ging. Hij lijkt te zijn gezwicht voor kritiek uit zijn eigen VVD-achterban en van de zijde van ondernemers en beleggers. Er kwam ook kritiek van prominenten, zoals Prins Constantijn van Oranje, die zich zorgen maakt over de gevolgen van de WWR voor start-ups en scale-ups, met name voor kleine technologiebedrijven. Zelfs The Washington Post van Jeff Bezos en Elon Musk gingen zich ineens met de Nederlandse box 3-wetgeving bemoeien… Dat leidde weer tot reacties vanuit de wetenschap, zoals het geweldige opiniestuk van Ruud van den Dool, Aart Gerritsen en Bas Jacobs in het Financieele Dagblad van 26 februari 2026 met als titel “De vermogensaanwasbelasting krijgt veel kritiek, maar is beste keuze voor box 3”.
Bizar hoe het rustige vaarwater in slechts een paar dagen tijd veranderde in een storm op zee. Of is het maar een storm in een glas water? Ik heb met de mensen van het ministerie van Financiën te doen, die – althans zo lijkt het – weer terug bij af zijn.

Vermogensaanwasbelasting of vermogenswinstbelasting? 

Inmiddels ben ik helemaal overtuigd dat de vermogensaanwasbelasting dogmatisch bezien (met de nadruk op dogmatisch) de meest zuivere systematiek van belastingheffing in box 3 is. Het laatste zetje kreeg ik door voornoemd opiniestuk in het Financieele Dagblad van 26 februari 2026. De vermogensaanwasbelasting is als hoofdregel economisch superieur aan een vermogenswinstbelasting, zoals de heren Van Dool, Gerritsen en Jacobs stellen.

Liquide vermogensbestanddelen

Voor liquide vermogensbestanddelen is de vermogensaanwasbelasting uitstekend uitvoerbaar. Onder liquide vermogensbestanddelen versta ik in deze context vermogensbestanddelen die zonder grote bezwaren te gelde te maken zijn. Daaronder vallen behalve spaarrekeningen ook beursgenoteerde aandelen en crypto. Als ik een grotere uitgave wil doen, bel ik met mijn beleggingsadviseur en binnen een paar dagen tijd zijn die stukjes verkocht en staat het geld op mijn rekening. Dat geldt ook voor crypto, wellicht zelfs voor edelmetalen zoals beleggingsgoud.

Het argument dat het zielig is om belasting te moeten betalen over ongerealiseerde koerswinst, is een fake argument. Je hebt die koerswinst wel gerealiseerd. De koersen zijn immers gestegen. Door de koersstijging ben je niet op papier maar in het eggie rijker geworden. Door het liquide karakter van beursgenoteerde aandelen vormt een koerswinst van die aandelen een daadwerkelijke vermogensstijging. Het enkele verschil of ik mijn beleggingsadviseur opdracht geef om een paar stukjes te verkopen of niet, maakt die koerswinst niet ongerealiseerd. De omstandigheid dat je die winst zonder of met amper enige moeite of kosten kunt cashen, maakt hem toegankelijk voor je en is daardoor gerealiseerd, ofwel genoten.

Koerswinst op aandelen is daarom ook geen papieren winst, maar échte winst. Van het frame ‘papieren winst’ word ik af en toe zelfs een beetje moe. Net zozeer als een papieren schenking een echte schenking is die de ouder verarmt en het kind verrijkt, wordt de houder van aandelen waarvan de koers is gestegen ook echt rijker. En in de basis is die stijging van rijkdom in box 3 een draagkrachtverhogende factor, waarover we met elkaar afspraken dat die belast mag worden.

Het zou ook heel eenvoudig worden om onbeperkt belastingheffing uit te stellen door in plaats van dividend uitkerende aandelen groeifondsen te nemen. Want waarom zou je over dividend nu al box 3-heffing betalen als je door middel van een ETF’je – dat geen dividend uitkeert maar ontvangen dividenden voor je herbelegt – die heffing tot sint-juttemis kunt uitstellen.

Hiermee is tegelijk het argument dat je bij een koerswinst van beursgenoteerde aandelen (nog) geen geld hebt om de box 3-heffing over de koerswinst te kunnen betalen onderuitgehaald. Door de courantheid van beursgenoteerde aandelen kun je heel simpel geld vrijmaken om wel die heffing te kunnen betalen. En daarnaast moet je jezelf afvragen of je wel een goed belegger bent als je al je geld in effecten hebt zitten. Ben je niet altijd wel een beetje liquide door ontvangen dividenden? Of door de verkoop van effecten die je niet meer in je portefeuille wilt hebben? En moet je sowieso niet altijd een beetje liquide blijven om nieuwe effecten te kunnen kopen?
Het tranentrekkend zielig gedrag van aandelenbeleggers dat ze belasting over koerswinst moeten betalen hoewel ze daarvan nog geen euro op hun betaalrekening hebben gezien, beschouw ik als krokodillentranen.

Je weet bovendien al bij het indienen van je inkomstenbelastingaangifte in bijvoorbeeld april van jaar n+1 hoeveel belasting je over jaar n verschuldigd wordt. Pas maanden later volgt de aanslag. Je hebt dus ruim de tijd om geld vrij te maken door een deel van je beursgenoteerde effecten of crypto te verkopen.
Dat belasting betalen niet prettig is, ook niet over de winst die je met je aandelen hebt behaald, is bekend. Je was liever doorgegaan met beleggen met geld dat je gratis hebt geleend van de overheid.

Ik kan me zelfs situaties voorstellen waarin het moeilijker is om belasting te kunnen betalen van een spaarrekening dan van een effectenrekening. Denk aan deposito’s en geblokkeerde spaarrekeningen. Als het criterium van het moeten betalen van belasting wordt gevormd door het tijdstip waarop je inkomen echt op je bankrekening krijgt bijgeschreven, dan hoeft onze staat de eerste decennia niet op enige belastinginkomsten te rekenen.
Een boude stelling: tussen sparen en beleggen in beursgenoteerde effecten bestaat geen zodanig verschil dat dit een andere fiscale behandeling rechtvaardigt.

Illiquide vermogensbestanddelen

Hoe anders is dat met illiquide vermogensbestanddelen, zoals onroerende zaken, vorderingen, aandelen in familiebedrijven, participaties van een werknemer in het mkb-bedrijf waar hij werkt en aandelen in start-ups en scale-ups. Ook voor die vermogensbestanddelen is de vermogensaanwasbelasting dogmatisch gezien als hoofdregel economisch superieur aan een vermogenswinstbelasting. Ook daarin moet ik de wetenschappers gelijk geven.

Maar een dogmatisch kristalzuivere wet die in de praktijk redelijkerwijs voor burgers niet uitvoerbaar is of niet handhaafbaar is door de Belastingdienst, of tot ernstige liquiditeitsproblemen leidt, is toch een slechte wet.

Een groot praktisch nadeel van de vermogensaanwasbelasting bij illiquide vermogensbestanddelen is dat je die elk jaar op 31 december moet waarderen. Want je wilt immers de waardeaangroei – het verschil tussen de waarde in het economische verkeer (WEV) op 31 december en 1 januari van dat jaar – belasten, ook al is die nog niet gerealiseerd. Dat hoeft geen probleem te zijn, zoals bij een vordering met een variabele rente. Dan is normaal gesproken de WEV van die vordering gelijk aan de nominale waarde.

Maar hoe lastig is dit in andere situaties, zoals:

  • een vordering met een vaste rente, als de actuele marktrente op 31 december of op 1 januari afwijkt van de contractuele rente. Ofwel hoe hoog is de vermogensaanwas bij een wijziging van de actuele marktrente in enig jaar. Denk aan een ouder die tegen een (destijds zakelijke) vaste rente van 3% een lening aan zijn kind heeft verstrekt ter financiering van diens woning, als de marktrente intussen is gestegen naar 4% of is gedaald naar 2%. Tegen welke actuele rente moet je überhaupt die WEV berekenen;
  • idem als het gaat om schulden. Ik geef het je te doen om de WEV van een schuld met een vaste rente te berekenen die je 10 jaar geleden bij de bank aanging voor de financiering van je vakantiehuis;
  • kapitaalverzekeringen;
  • moet een werknemer met participaties in het bedrijf van zijn werkgever elk jaar een register valuator inhuren om de WEV het bedrijf waarin hij werkt te laten bepalen? Zijn werkgever ziet hem al aankomen; 
  • idem als het gaat om participaties in start-ups en scale-ups;
  • om maar te zwijgen over de waardering van onroerende zaken.

Ik begrijp zeer goed de paniek bij bezitters van dergelijke vermogensbestanddelen. Nog afgezien van beschreven liquiditeitsproblemen, al zou je de vermogensaanwas al als inkomen willen aangeven, je kunt het simpelweg niet berekenen. 

Hier keert de wal het schip. Ook al is de vermogensaanwasbelasting ook voor illiquide vermogensbestanddelen dogmatisch gezien economisch superieur aan een vermogenswinstbelasting, hier moet toch box 3-belasting worden geheven volgens de vermogenswinstbelasting.

Dit nog afgezien van het feit dat bij een vermogensaanwasbelasting in geval van illiquide vermogensbestanddelen bij de belastingplichtige wel serieuze betalingsproblemen kunnen ontstaan. Een vermogensgroei van een dergelijk vermogensbestanddeel leidt tot een belastingschuld, terwijl er nog geen geld beschikbaar is om die schuld te kunnen betalen. Als een werknemer de participatie in zijn mkb-bedrijf met € 10.000 ziet groeien, moet hij bij het beoogde tarief van 36% € 3.600 aan belastingheffing ophoesten. Dus dit jaar maar geen vakantie naar Spanje?

De vermogenswinstbelasting ontmoedigt verder durfinvesteerders om te beleggen in start-ups en scale-ups. Want bij een waardeaangroei van aandelen in deze starters is het wel gerechtvaardigd om te spreken over papieren winsten. Het is nog maar zeer de vraag of je ze later wel gaat realiseren, terwijl het niet mogelijk is om ze tussentijds te cashen. Dat is een belangrijk verschil tussen beursgenoteerde effecten en dergelijke incourante aandelen. Bij beursgenoteerde effecten heb je alleen nog niet op de knop gedrukt om de koerswinst over te boeken naar je betaalrekening, bij incourante effecten heb je die knop niet.

Dé oplossing voor de wetgever? 

Recapitulerend: een gedachte zou kunnen zijn om voor liquide vermogensbestanddelen (te categoriseren als banktegoeden, beursgenoteerde effecten, crypto en edelmetalen) de vermogensaanwasbelasting te blijven hanteren, conform het wetsvoorstel WWR, en voor illiquide vermogensbestanddelen (en dan niet alleen voor onroerende zaken maar voor alle illiquide vermogensbestanddelen, dus ook voor met name vorderingen en aandelen in start-ups en scale-ups en werknemersparticipaties) de vermogenswinstbelasting. Ofwel, nog steeds een hybride stelsel, maar dan met een verschuiving binnen de vermogenscategorieën.

Bijkomende voordelen van dit hybride systeem:

  • er hoeft geen ingewikkelde (in fiscale wetgeving vaak een synoniem voor arbitraire) definiëring plaats te vinden van aandelen in start-ups en scale-ups, noch voor werknemersparticipaties. Alle niet-beursgenoteerde aandelen komen onder de vermogenswinstbelasting te vallen;
  • de budgettaire derving van een vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen in plaats van het nu beoogde hybride stelsel (volgens het kabinet in de eerste vijf jaar € 5 miljard) valt aanzienlijk lager uit, omdat beursgenoteerde effecten, een substantieel onderdeel van het belegd vermogen, onder de vermogensaanwasbelasting blijven vallen.

Onmiskenbaar komt een vermogenswinstbelasting voor illiquide vermogensbestanddelen de eenvoud ten goede. Alleen al de jaarlijkse waarderingsperikelen maken een vermogensaanwasbelasting voor deze categorie onuitvoerbaar. Het vergt te veel doenvermogen van burgers en het is voor de Belastingdienst niet handhaafbaar, alleen al omdat bij hem contra-informatie ontbreekt. En je kunt niet van een belastinginspecteur verlangen dat hij elke berekening van een vordering met een vaste rente narekent.

Kortom, pas de vermogensaanwasbelasting toe waar het kan, en de vermogenswinstbelasting waar het moet. Dan kan de storm toch een storm in een glas water blijken te zijn.

Informatiesoort: Column

Rubriek: Inkomstenbelasting

Dossiers: Box 3

Focus: Focus

239

Gerelateerde artikelen