Per 1 januari 2007 werd de afschrijvingsbeperking op bedrijfs- en beleggingsvastgoed ingevoerd. De Staatssecretaris van Financiën constateerde namelijk dat zeer langdurig belastinguitstel kon worden genoten door een combinatie van hoge afschrijvingslasten en het vormen van een herinvesteringsreserve voor vervreemdingswinsten op vastgoed.

De afschrijvingsbeperking moest de aldus verkregen rentesubsidie op met name beleggingsvastgoed wegnemen (V-N 2005/24.3). Heithuis merkte op dat het door de staatssecretaris gesignaleerde uitstelprobleem ook kon worden opgelost door – bijvoorbeeld – afschaffing van de herinvesteringsreserve voor beleggingsvastgoed (WFR 2005/765). Dat commentaar werd kennelijk opgepikt door de Tweede Kamer (V-N 2006/10.2). Toch gaf de wetgever om twee redenen de voorkeur aan invoering van een afschrijvingsbeperking boven het aanpakken van de herinvesteringsreserve (V-N 2006/30.3). Allereerst zou de afschrijvingsbeperking leiden tot lagere boekwinsten en daardoor lagere dotaties aan de herinvesteringsreserve. Voorts werd onderkend dat een beperking van de herinvesteringsreserve kan worden ontlopen door niet het bedrijfsmiddel te verkopen, maar de aandelen in de vennootschap met het bedrijfsmiddel. De herinvesteringsreserve bleef in ongewijzigde vorm bestaan.

Onlangs verscheen het aanvalsplan van D66 tegen belastingontwijking met als ondertitel ‘Het zoeklicht op de schemersteegjes van de fiscaliteit’. Volgens D66 gebeurt er veel in de schaduw van de fiscaliteit wat het daglicht niet kan verdragen: door zeer vermogende particulieren en bedrijven wordt met legale, maar zeer schimmige, ingewikkelde en ondoorzichtige constructies belasting ontweken. De partij constateert dat het voor de Belastingdienst ingewikkeld is om achter deze constructies aan te gaan: ‘‘Het is een waar kat-en-muisspel, waarbij de muis meer wegheeft van een rat.’’ Daarom wordt in het actieplan aandacht gevraagd voor ‘‘gekunstelde constructies die overduidelijk niet de bedoeling van de wetgever zijn’’. Het actieplan bevat vervolgens acht ‘‘constructievormen en knelpunten’’, waarvoor de initiatiefnemer oplossingsrichtingen aandraagt. Drie van de acht zien op structuren, waarin winsten die met vastgoed worden behaald, onbelast blijven. Ook het toepassen van de herinvesteringsreserve door vastgoedbeleggingsvennootschappen wordt als constructievorm of knelpunt gezien. De initiatiefnemer constateert namelijk dat een participatie in een transparant vastgoedfonds (bijvoorbeeld met een supermarkt) wordt gebruikt als herinvestering en acht dit oneigenlijk uitstel van belastingheffing. Ook vraagt hij zich af waarom vastgoedvennootschappen van particuliere investeerders al hun winsten op vastgoedtransacties kunnen doorschuiven. In zijn ogen moet een en ander worden voorkomen.

Ik kan er begrip voor opbrengen dat D66 de eventuele afschaffing van de herinvesteringsreserve voor beleggingsvastgoed op de politieke agenda wil plaatsen, maar ik vind (de inhoud van) het actieplan contextueel zéér ongepast om dit doel te bereiken. Het is bovendien onjuist dat de herinvesteringsreserve in de genoemde situatie(s) leidt tot onbedoeld belastinguitstel. Een nette politieke partij heeft zo’n wijze van framing niet nodig om iets onder de aandacht te brengen.

In zijn reactie van 25 juni jl. op het actieplan geeft staatssecretaris Vijlbrief aan dat hij de voorbeelden op vastgoedgebied herkent en onwenselijk acht. Hij roept een volgend kabinet op om integraal te kijken naar de belastingheffing over vastgoed en daarin onder meer de herinvesteringsreserve voor beleggingsvastgoed te betrekken. En daarmee komt dit onderwerp misschien toch via een schimmige en gekunstelde weg op de politieke agenda van het aanstaande (minderheids)kabinet.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Inkomstenbelasting

  870
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen
MUST READ, COLUMNS