Van tijd tot tijd roepen aanhangige prejudiciële vragen een ‘déjà vu’ in nationale jurisprudentie op.

Bijvoorbeeld of een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid zelfstandig BTW-plichtig is (zaak-XT, C-312/19). ‘‘Niet dan?’’, is een eerste reactie na V-N 1983, p. 262, 21. Advocaat-Generaal Kokott van het Hof van Justitie EU denkt daar anders over in haar conclusie van 23 april 2020.

Een gedachte. Kan het Hof zich laten inspireren door jurisprudentie van de nationale hoogste rechters over dezelfde rechtsvraag als die het zelf nog moet beantwoorden? Ofwel, nationale hoogste rechters als ‘amici curiae’ (vrienden van het hof). Per slot van rekening zijn ook zij belast met de toepassing en handhaving van het Unierecht in volle omvang.

Uit een evaluatie van de inzet van de amicus curiae bij de Afdeling bestuursrechtspraak is de eerste indruk dat het een nuttig instrument kan zijn. Bijvoorbeeld om aan informatie te komen die voor beslechting van een geschil relevant is, maar die vanwege de aard van de informatie door procespartijen niet snel wordt verstrekt (J.C.A. de Poorter, L.A. van Heusden & C.J. de Lange, De amicus curiae geëvalueerd, Den Haag: Raad van State 2018, p. 24).

Procespartijen verwijzen niet snel naar uitspraken van hoogste rechters van lidstaten die niet direct betrokken zijn bij het geschil, hetzij vanwege de onbekendheid, hetzij vanwege een onwelgevallige uitkomst. Die eindbeslissingen kunnen voor het Hof echter wel degelijk nuttig zijn. Zij geven het Hof inzicht in de maatschappelijke overwegingen en juridische argumenten die ten grondslag liggen aan de nationale uitspraken. Het Hof kan daaruit lering trekken bij zijn eigen oordeelsvorming.

Kortom, het geeft een extra dimensie aan de dialoog die (idealiter) plaatsvindt tussen het Hof en nationale hoogste rechters (zie voor andere verbetervoorstellen het artikel De prejudiciële procedure wordt vaak verkeerd gebruikt). Ik besef dat het voorgaande niet van de een op de andere dag is geregeld in het procesreglement van het Hof. De Hoge Raad ziet bovendien jaarlijks meer zaken binnenkomen dan hij zelf afdoet. Capaciteit inzetten op ‘bijstandverlening’ ligt dan minder voor de hand.

Is op andere wijze in te perken dat nationale hoogste rechters Unierechtelijke vragen stellen die elders in de EU reeds zijn beantwoord? Ik denk van wel. Veel beslissingen van het Hof komen erop neer dat ‘het aan de verwijzende rechter is om na te gaan, etc.’. Rechters vinden het naar verluidt vervelender, wanneer het Hof ‘‘helemaal geen antwoord geeft dan dat het de verwijzende rechter op een heldere en inzichtelijke wijze een tik op de vingers geeft’’ (J. Krommendijk, ‘Luxemburg heeft gesproken; wat nu?’, NTB 2018/15, par. 5).

Een verwijzing legt wel de aan te leggen toets uit, maar niet altijd de concrete toepassing van het EU-recht in een casus. Soms biedt het Hof zelfs een keuzepalet aan. Kennisnemen van de daadwerkelijke uitwerking van het EU-recht kan voor een nationale hoogste rechter aanleiding zijn om een zaak zelf af te doen. Vandaar een oproep ‘To Whom It May Concern’ om op de website van het Hof van Justitie EU ook ECLI-nummers op te nemen van de eindbeslissingen na een EU-arrest. Bij voorkeur met een vertaling. Als vriendendienst.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Europees belastingrecht

  516
Gerelateerde artikelen