De Nederlandse overheid heeft de goede gewoonte om sinds 1987 het parlement en de fiscale praktijk periodiek te informeren over het beleid met betrekking tot belastingverdragen, laatstelijk in 2011.

In het licht van alle ontwikkelingen gedurende de laatste jaren, waarbij niet alleen moet worden gedacht aan het BEPS-project, maar ook aan de 2017-update van het VN-modelverdrag, is het hoog tijd dat het parlement en de fiscale praktijk wordt geïnformeerd omtrent het huidige verdragsbeleid. Een nieuwe notitie over het fiscale verdragsbeleid is dan ook toegezegd voor de loop van dit jaar.

Een belangrijk onderdeel van het beleid betreft de behandeling van dienstverleningsvergoedingen. Onder deze benaming vallen technische vergoedingen, managementvergoedingen en vergoedingen voor andere vormen van professionele dienstverlening. Van oudsher volgt Nederland hier de benadering van het OESO-modelverdrag. Dit betekent dat in beginsel de woonstaat van de verlener van de diensten een exclusief heffingsrecht over de vergoedingen heeft. Dit is alleen anders als de dienstverlener in de staat waaruit de vergoedingen afkomstig zijn, over een vaste inrichting beschikt en de ontvangen vergoedingen aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend. In de relatie met ontwikkelingslanden is Nederland bereid gebleken om het vaste-inrichtingenbegrip wat op te rekken als gevolg waarvan het langdurig verrichten van diensten in de andere staat voor hetzelfde of een gerelateerd project kan leiden tot de aanwezigheid van een vaste inrichting in het andere land (de zogeheten service PE). In uitzonderingsgevallen - laatstelijk in het verdrag met Ghana - is Nederland akkoord gegaan met een beperkte bronheffing voor de bronstaat.

Gedurende de laatste jaren zetten meer en meer ontwikkelingslanden in op zo’n bronheffing voor dienstverleningsvergoedingen. Dit houdt verband met het feit dat met name ontwikkelingslanden veelvuldig geconfronteerd zijn met uitholling van de heffingsgrondslag van in die landen gevestigde ondernemingen door betalingen voor technische, professionele en managementvergoedingen aan gelieerde ondernemingen elders. In hun streven naar het opnemen van een dergelijke bronheffing weten deze landen zich gesteund door de 2017-update van het VN-modelverdrag dat in het nieuwe art. 12A voorziet in een beperkt heffingsrecht voor de bronstaat met betrekking tot dienstverleningsvergoedingen. Ook de service PE-bepaling in het VN-modelverdrag is verruimd. Het Nederlandse verdragsbeleid zal derhalve moeten reageren op deze gewijzigde internationale opvattingen en zal zich moeten afvragen of en zo ja, onder welke omstandigheden kan worden ingestemd met een beperkt heffingsrecht voor dit soort vergoedingen voor de bronstaat.

Een aanpalende vraag is wat eventueel het wisselgeld moet zijn voor zo’n bronstaatheffing. Wanneer de beoogde verdragspartner zich goed voorbereidt op de onderhandelingen met Nederland, zal het kijken naar die elementen van een belastingverdrag die voor Nederland belangrijk zijn. Naast de afwezigheid van een bronheffing op deelnemingsdividenden, interest en royalty’s is dat tegenwoordig de behandeling van particuliere pensioenen. Nederland streeft in afwijking van zowel het OESO- als het VN-modelverdrag naar een onbeperkt heffingsrecht voor de bronstaat. Een goed onderhandelend ontwikkelingsland zal mogelijk inzetten op een bronheffing voor dienstverleningsvergoedingen in ruil voor een bronstaatheffing voor pensioenen.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Internationaal belastingrecht

  813
Gerelateerde artikelen