Sinds 1 januari 2019 kent de Wet VPB 1969 de zogeheten earningstrippingsmaatregel. Deze generieke renteaftrekbeperking is een gevolg van de invoering van de EU-antibelastingontwijkingsrichtlijn (ATAD 1), waarmee op EU-niveau wordt beoogd internationale belastingontwijking tegen te gaan. Tegelijkertijd beoogt het kabinet daarmee een meer gelijke fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen te bewerkstelligen.

Beweegredenen waarvoor ik op zichzelf zeker enig begrip kan opbrengen. Voor woningcorporaties – en daarmee indirect hun (potentiële) huurders – heeft toepassing van die earningstrippingsmaatregel echter ingrijpende gevolgen die ik maar moeilijk kan verteren.

Door toepassing van de earningstrippingsmaatregel worden woningcorporaties in elk geval op de korte termijn geconfronteerd met hogere VPB-lasten, terwijl zij ook al het leeuwendeel van de verhuurderheffing van thans zo’n € 1,8 miljard voor hun rekening nemen en enkele jaren geleden bovendien werden geconfronteerd met opeenvolgende saneringsheffingen vanwege de ‘derivatenkwestie’ bij Vestia. Het spreekt voor zich dat een en ander de investeringsbereidheid van woningcorporaties op zijn zachtst gezegd geen goed heeft gedaan, terwijl de behoefte aan betaalbare (huur)woningen momenteel groot is.

Tijdens de parlementaire behandeling van de implementatiewet is bij herhaling aandacht gevraagd voor de positie van woningcorporaties in relatie tot de earningstrippingsmaatregel (zie onder meer Kamerstukken II 2018/9, 35030, 5 en Kamerstukken I 2018/19, 35030, B). Volgens het kabinet biedt ATAD 1 geen mogelijkheid om woningcorporaties daarvan uit te zonderen en rijmt dat ook niet met de nagestreefde, meer gelijke fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen (zie Kamerstukken I 2018/19, 35030, C).

Ook na informele contacten met de DG Concurrentie van de Europese Commissie (EC) heeft de Staatssecretaris van Financiën recentelijk nog te kennen gegeven geen mogelijkheid te zien om de activiteiten van woningcorporaties aan te merken als ‘langlopende openbare-infrastructuurprojecten’, teneinde hen zodoende alsnog uit te zonderen van de earningstrippingsmaatregel (zie Kamerstukken I 2019/20, 35241, J).

Een en ander mag dan fiscaal-juridisch hout snijden, het bijkomende gevolg daarvan is niet om over naar huis te schrijven en al helemaal niet bezien in het licht van de huidige staat van de woningmarkt. Het wekt de indruk van doorgeslagen ‘gelijkheidsdenken’. Men kan zich namelijk met recht afvragen in hoeverre anders daadwerkelijk sprake zou zijn van (verboden) staatssteun die de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, en in hoeverre financieringsbeslissingen van woningcorporaties fiscaal zijn gedreven, gelet op het feit dat veelal sprake is van ‘vermogen in dode hand’.

En wat te denken van de enigszins gespannen ogende verhouding met de in art. 16 Europees Sociaal Handvest vervatte verplichting om de economische, wettelijke en sociale bescherming van het gezinsleven te bevorderen, waaronder begrepen het verschaffen van gezinshuisvesting? Om nog maar te zwijgen over het gegeven dat woningcorporaties, in tegenstelling tot multinationals, niet of nauwelijks grensoverschrijdend (mogen) opereren.

Indachtig het feit dat woningcorporaties onder druk van de EC in 2008 integraal VPB-plichtig zijn geworden en thans worden geconfronteerd met een vanuit de EU ingegeven renteaftrekbeperking die eigenlijk niet voor hen is bedoeld, lijkt het wel of woningcorporaties EU-rechtelijk in een fiscaal verdomhoekje zitten. Dat zou, gelet op hun kerntaak, bekrompen en schandalig zijn. 

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Europees belastingrecht

Informatiesoort: Uitvergroot

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

  996
Gerelateerde artikelen