Recent heeft de Hoge Raad beslist dat de box 3-heffing voor 2013 en 2014 op stelselniveau strijdig is met art. 1 EP EVRM.

De Hoge Raad (HR 14 juni 2019, 17/05606, V-N 2019/30.5) achtte daarbij van belang dat het door de wetgever veronderstelde rendement van vier procent nominaal gemiddeld over een langere periode niet meer haalbaar was. De Hoge Raad toetst aldus (ook) of de belastingheffing (nog) in lijn is met de door de wetgever gegeven motivering.

Dit roept de vraag op of dit arrest ook relevant is voor de verhuurderheffing. Anders dan de motivering van de heffing in box 3 is de motivering van de verhuurderheffing tamelijk mistig. Naast de wens om opbrengst te genereren, blijkt een drietal rechtsgronden uit de wetgeschiedenis. De eerste is de inkomensafhankelijke huurverhoging. Bij invoering daarvan was echter op voorhand duidelijk dat het vele jaren zou duren voordat deze op macroniveau voldoende zou zijn om de verhuurderheffing op macroniveau te betalen. Dat lijkt me in strijd met de uitleg die de Hoge Raad geeft aan art. 1 EP EVRM.

De tweede rechtsgrond is de stabiele markt die de overheid had gecreëerd door onder meer vraagondersteuning in de vorm van huurtoeslag. Daar staat echter tegenover dat juist in de gereguleerde sector de huur en de huurverhoging begrensd zijn. Juist om die reden was het voor veel commerciële partijen al vóór de invoering van de verhuurderheffing niet interessant om te investeren in de gereguleerde sector. Hier lijkt dus sprake van een drogreden van de wetgever en dat lijkt me ook in strijd met 1 EP EVRM.

De derde rechtsgrond is de verstrekking van objectsubsidies in een ver verleden. Dat komt wat mij betreft neer op belastingheffing met een ongekend lange, materiële terugwerkende kracht. Art. 1 EP EVRM eist dat terugwerkende kracht gebaseerd is op gegronde redenen, maar die zie ik hier niet. Daarnaast is op zijn minst opmerkelijk dat geen verband wordt gelegd met hetgeen dan beoogd wordt te belasten, namelijk de omvang van de genoten objectsubsidies.

Na het genoemde arrest van de Hoge Raad is het daarom voor mij de vraag of de verhuurderheffing niet ook op stelselniveau strijdt met art. 1 EP EVRM. In het arrest inzake box 3 noemt de Hoge Raad ook dat de box 3-heffing inmiddels hoger is dan de inkomsten. In hoeverre dat ook geldt voor de verhuurderheffing, is niet direct duidelijk. Dat hangt er mogelijk ook van af of waardestijgingen meetellen. De Hoge Raad heeft overigens voor box 3 (nog) geen gevolgen verbonden aan de strijdigheid van box 3 met art. 1 EP EVRM. Ook bij de verhuurderheffing zou de Hoge Raad (voorshands) naar de wetgever kunnen verwijzen. Er hoeft dus geen direct budgettair belang te zijn.

Als de Hoge Raad de verhuurderheffing niet in strijd zou achten met art. 1 EP EVRM, roept dat de vraag op of de Hoge Raad de wetgever beloont voor zijn mistige onderbouwing van de verhuurderheffing. Dat zou wat mij betreft geen goede zaak zijn. Ik vrees dat dit het einde zou betekenen van duidelijke onderbouwing van belastingmaatregelen, welke in mijn beleving trouwens toch al steeds zeldzamer wordt.

Bron: Uitvergroot

Rubriek: Europees belastingrecht, Inkomstenbelasting

Informatiesoort: Uitvergroot

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

  1114
Gerelateerde artikelen