Als de Hoge Raad oordeelt dat er sprake is van discriminatie door de wetgever, stelt de Hoge Raad de wetgever geen termijn om deze discriminatie op te heffen. Toch is dit wel het overwegen waard.

Als de Hoge Raad oordeelt dat er sprake is van discriminatie door de wetgever, kan dit direct worden opgeheven door de cassatierechter indien de keuze tussen de alternatieven duidelijk kan worden afgeleid uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen of de wetsgeschiedenis. Mocht dat niet zo zijn, dan is de keuze in beginsel voorbehouden aan de wetgever. Voor ingrijpen door de rechter kan vervolgens wel aanleiding bestaan indien de wetgever, na kennisneming van het arrest, nalaat zelf een regeling te treffen die de discriminatie opheft (HR 18 december 2017, nr. 17/00196, V-N 2017/61.4). De Hoge Raad geeft de wetgever in dit kader geen termijn.

Op 17 december 2014 heeft het Bundesverfassungsgericht (BVerfG), nr. 1 BvL 21/12, ECLI:DE:BVERFG:2014:LS20141217 geoordeeld dat de Duitse bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de erfbelasting deels in strijd is met het in de Duitse Grondwet opgenomen gelijkheidsbeginsel. De Duitse wetgever kreeg van het BVerfG tot 1 juli 2016 de tijd om de wet aan te passen, waardoor de discriminerende bepalingen tot die tijd van kracht bleven. De ‘Deutscher Bundestag’ heeft op 6 juli 2015, onder nummer WD 4 – 3000 – 103/15, een notitie gepubliceerd over de mogelijke gevolgen van het eventueel niet tijdig aanpassen van de wet. Uit de notitie blijkt dat de discriminerende bepalingen ook nog na 30 juni 2016 van kracht zouden blijven en het BVerfG zelf de discriminatie mag opheffen. Het is de Duitse wetgever niet gelukt om de wet vóór 1 juli 2016 aan te passen. Daarop heeft het BVerfG op 12 juli 2016 aan de Duitse wetgever laten weten verder met de zaak te gaan. Tot een ingrijpen door het BVerfG is het echter (net) niet gekomen. De uiteindelijk toch aangepaste wet, waarbij de discriminatie is opgeheven, is op 9 november 2016 gepubliceerd en met terugwerkende kracht tot 30 juni 2016 in werking getreden. Misschien was het BVerfG hierdoor wel opgelucht. De vraag rijst hoe de discriminatie zou moeten worden opgeheven. De faciliteit uitbreiden? Daarbij moet natuurlijk geen ‘nieuwe’ discriminatie tot stand komen. Zoals gezegd, stelt de Hoge Raad de wetgever geen termijn. Toch is dit naar mijn mening wel het overwegen waard. Hiermee zou namelijk enige druk op de wetgever worden gezet, hetgeen mijns inziens passend is, aangezien er sprake is van discriminatie. Bovendien weet de wetgever dan ook waar hij aan toe is.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

  1199
Gerelateerde artikelen