Als de voortekenen niet bedriegen, wordt op 18 september 2018 (Prinsjesdag) de tariefsverlaging van de vennootschapsbelasting naar 21 of 22% en de afschaffing van de dividendbelasting voorgesteld. Deze ingrijpende wijzigingen vloeien voort uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III. Gezien de consternatie van het afgelopen jaar over met name de laatstgenoemde maatregel, zullen deze hervormingen onder het vergrootglas liggen.

Zelf ben ik in het bijzonder geïnteresseerd in hoeverre in de toelichting een afweging is gemaakt tussen enerzijds een statutaire tariefsverlaging in de winstbelasting en anderzijds de mogelijkheid tot de invoering van een vermogensaftrek. De mogelijkheid om de kapitaalkosten zelf te verlagen via de introductie van een vermogensaftrek, ontbreekt tot nu toe compleet in de discussie over de hervorming van de winstbelastingen. Wie de afgelopen jaren dit dossier heeft gevolgd, komt echter tot de conclusie dat een suggestie voor een gelijke(re) bepaling van vreemd en eigen vermogen ongeveer jaarlijks wordt gesuggereerd via moties van Tweede Kamerleden of artikelen of rapporten van wetenschappers. Even zo vaak als het is gesuggereerd, heeft echter het antwoord ‘nee’ geklonken. Aan de suggestie van de Studiecommissie Belastingstelsel uit 2010, om de aanbeveling voor een vermogensaftrek in de vennootschapsbelasting nader uit te werken, is geen gehoor gegeven. Rust was nodig in de VPB, de budgettaire lasten van invoering van een vermogensaftrek (kosten destijds: € 1,5 mld.) waren simpelweg te hoog en via nieuwe wettelijke renteaftrekbeperkingen werd de verschillende behandeling tussen vreemd en eigen vermogen toch al verkleind.

Wie de argumenten anno 2018 afpelt, kan zich oprecht afvragen hoe sterk deze argumenten nu nog zijn. Ik blijf derhalve, wellicht tegen beter weten in, toch hopen op een serieuze afweging tussen een statutaire tariefsverlaging enerzijds en een vermogensaftrek anderzijds. Waarom moet in een tijd waarin internationale grondslagverschuiving stevig wordt aangepakt, de winstbelasting op juist de overwinsten worden verlaagd, terwijl de vennootschapsbelasting (idealiter) daaraan zijn bestaansrecht zou moeten ontlenen? Waarom worden de kapitaalkosten verhoogd via nieuwe renteaftrekbeperkingen en daarmee de investeringsbeslissingen verstoord, in tijden dat lage investeringsniveaus als een van de belangrijkste oorzaken van lage productiviteitsstijgingen wordt aangewezen? En waarom moeten risicovolle ondernemingen die met veel vreemd vermogen zijn gefinancierd, een grotere renteaftrek en daarmee een grotere fiscale aftrekpost kunnen claimen?

Al deze vragen leiden mij - zonder nader inzicht in de antwoorden - tot de vraag waarom geen vervolg is gegeven aan de oproep om een vermogensaftrek te onderzoeken en in te voeren. Een vermogensaftrek wordt ook niet geraakt door de voorgestelde linking rules op internationale mismatches en verdwijnt dus niet in de portemonnee van buitenlandse overheden. Het moment voor invoering is budgettair voor partijen die lage ondernemingsbelastingen een warm hart toedragen, ook slim gekozen. Vanwege de lage rente op de kapitaalmarkt kan de vermogensaftrek voor een relatief laag percentage worden ingevoerd. Idealiter wordt dan in mijn ogen overigens een voorstel uitgewerkt, waarbij de vermogensaftrek een forfaitaire aftrek wordt op alle kapitaalkosten, dus zowel op vreemd als op eigen vermogen. Staatssecretaris Snel zou op deze wijze een simpeler VPB-stelsel kunnen realiseren en zich zo in de fiscale wereld onsterfelijk maken.

Rubriek: Inkomstenbelasting, Vennootschapsbelasting

Informatiesoort: Uitvergroot

Dossiers: Prinsjesdag 2018

  1091
Gerelateerde artikelen