Het is mei 2021, vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet DBA. Een jubileum dus, maar niet een om te vieren. De realiteit is dat de Wet DBA niet of nauwelijks wordt gehandhaafd. Dit handhavingsmoratorium is verlengd tot zeker 1 oktober 2021.

Over het vervolg, de webmodule, waarvoor nu een pilot loopt, valt maar weinig enthousiasme te beluisteren. De holistische beoordelingswijze uit de rechtspraak laat zich moeilijk vangen in een beslisboom.

De Wet DBA is in essentie een piepklein wetje die je kunt samenvatten als de afschaffing van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). De wet behelst de terugkeer naar een onverkorte toepassing van de loonheffingen bij elke opdracht die in dienstbetrekking wordt verricht. Aan dat beginsel werd evenwel direct afbreuk gedaan door opting-out toe te staan voor de gelijkgesteldenregeling, de belangrijkste achtervang in de loonheffingen voor arbeidsrelaties die geen privaatrechtelijke dienstbetrekking zijn maar daarmee maatschappelijk wel grote gelijkenis vertonen. De opschorting van de handhaving deed de rest. Met de Wet DBA zijn we van de regen in de drup gekomen.

Het is niet zo dat hiermee ook de ontwikkeling van de rechtspraak over het begrip ’dienstbetrekking’ is stilgevallen. Het arbeidsrecht kent geen moratorium en heeft recentelijk onder meer een arrest opgeleverd, waarin de Hoge Raad de rol van de partijbedoeling heeft verduidelijkt alsmede een uitspraak van Hof Amsterdam over de platformeconomie (Deliveroo). Maar ook voor de loonheffingen wordt nog steeds geprocedeerd, waarbij het initiatief de laatste jaren meer naar de belanghebbenden is verschoven. In een recente uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch bestreed de deelnemer aan een tv-programma met succes de inhouding op haar prijs (V-N 2021/22.4). Bij de Hoge Raad liggen twee uitspraken van Hof Arnhem-Leeuwarden ter cassatie, de ene over het ‘wegdenken’ van een bestuurdersvennootschap (V-N 2020/60.1.2) en de andere over de vraag of een overeenkomst naar buitenlands recht wel tot een dienstbetrekking voor de loonheffingen kan leiden (V-N 2021/12.1.3).

Vanaf 2020 is een voorzichtig begin gemaakt met het weer opstarten van verticaal toezicht. Zoals hierboven genoemd, volgt wellicht de invoering van de webmodule als instrument om opdrachtgevers duidelijkheid en waar mogelijk zekerheid te geven over de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen.

Zo’n tien jaar geleden is ook lange tijd gewerkt aan een webmodule. Dat die er uiteindelijk niet is gekomen, is niet voor niets. Het is reuze inefficiënt, wanneer elke arbeidsrelatie afzonderlijk en prospectief moet worden beoordeeld. Het is naar mijn mening veel eenvoudiger als de toetsing tot eenmaal per jaar kan worden beperkt en, waar mogelijk, retrospectief door te kijken naar de aard van de opdrachtnemer (zelfstandige of niet) en hiervoor aansluiting te zoeken bij processen die allang bestaan binnen de Belastingdienst, te weten de aanslagregeling IB/VPB.

Alleen met een zelfstandigheidsverklaring zou loonheffing achterwege mogen blijven. Zonder zo’n verklaring geldt er inhoudingsplicht als de arbeidsverhouding kwalificeert als een (fictieve) dienstbetrekking. Dit laatste is niets meer, maar ook niets minder dan waar een juiste uitvoering van de wet om vraagt.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Loonbelasting, Arbeidsrecht

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

  801
Gerelateerde artikelen