Door de verschraling van het fiscale-eenheidsregime tot louter een horizontale verliesverrekeningsregeling aan te vullen met een lager bezitspercentage – wat mij betreft zelfs geen enkel kwantitatief minimumbelang – maken we van de achterstand een voorsprong. Een voorsprong die ook goed is voor het Nederlandse vestigingsklimaat dat de laatste jaren toch al het nodige heeft te verduren (gehad).

Vorige week donderdag 22 februari 2018 heeft het Hof van Justitie EU uitspraak gedaan in de, kort gezegd, Nederlandse "Groupe Steria"-zaak (C-398/16), zie V-N 2018/11.14. Conform verwachting heeft het Hof de conclusie van zijn A-G (V-N 2017/52.12, TaxVisions editie 3 november 2017) gevolgd. Vanwege de spoedreparatie die gelijk na de A-G-conclusie op 25 oktober 2017 is aangekondigd (zie V-N 2017/52.13, TaxVisions editie 3 november 2017), en zelfs met terugwerkende kracht tot en met 25 oktober 2017, heeft dit arrest materieel alleen nog belang
voor perioden tot 25 oktober 2017.

In de genoemde spoedreparatie heeft de Staatssecretaris van Financiën een nieuwe meer toekomstbestendige – lees: minder EU-rechtelijk kwetsbare – groepsregeling aangekondigd. Hoe die nieuwe groepsregeling eruit zal gaan zien, is op dit moment nog volstrekt onbekend, maar voor de hand ligt dat de staatssecretaris het oog heeft op systemen waarbij verliezen binnen de groep mogen worden overgedragen aan winstvennootschappen binnen dezelfde groep (zoals de Britse ‘group relief'-regeling), dan wel winsten binnen de groep mogen worden overgedragen aan verliesvennootschappen binnen dezelfde groep (zoals in Zweden mogelijk is), of combinaties hiervan.

Hoe dan ook, in elk geval lijkt de fiscale eenheid als reorganisatiefaciliteit zijn beste tijd te hebben gehad. Dit kan men uiteraard heel vervelend vinden, maar dit biedt mijns inziens ook kansen. Nu de nieuwe ‘‘fiscale-eenheids''-regeling enkel nog zal zien op wat wel, onzuiver, wordt aangeduid als de horizontale verliescompensatie, komt wat mij betreft ook het bezitspercentage van ten minste 95 ter discussie te staan. Ik roep in herinnering dat bij de herziening van het huidige fiscale-eenheidsregime in 2003 de vraag aan de orde is geweest of het fiscale-eenheidsregime kon worden opengesteld voor lagere percentages dan de huidige 95. De staatssecretaris zag daar toen vanaf, vooral vanwege de herstructureringsmogelijkheden die de fiscale eenheid biedt. Als bijvoorbeeld een onroerende zaak met een stille reserve binnen de fiscale eenheid wordt overgedragen aan bijvoorbeeld een 50%-dochtermaatschappij, dan zag hij die stille reserve voor (de andere) 50% vervloeien naar de andere aandeelhouder(s) in die dochtermaatschappij en dat werd hem te ingewikkeld. Daar kon ik toen wel begrip voor opbrengen.

Maar nu die interne reorganisatiemogelijkheid van de fiscale eenheid lijkt te komen vervallen, komt dat lagere bezitspercentage wat mij betreft weer volop in beeld. Er is mijns inziens namelijk geen enkel beletsel om het verlies van een dochtermaatschappij naar rato van het aandelenbezit toe te rekenen aan haar aandeelhouders en bij hen te verrekenen met hun eigen winsten. Er zijn dan gelijk minder problemen met de liquidatieverliesregeling van art. 13d Wet VPB 1969 die mogelijk – ik zeg het voorzichtig – zelfs geheel zou kunnen vervallen. Tevens zijn er dan minder problemen met de bepaling tegen de handel in verlieslichamen van art. 20a Wet VPB 1969, want er zullen dan minder lichamen met nog verrekenbare verliezen resteren. Het toestaan van een fiscale eenheid bij geringere bezitspercentages dan de huidige 95 is ook prettig vanwege de beperkte carry forwardtermijn in de VPB van nu nog negen jaren maar straks zes jaren, zoals het kabinet heeft aangekondigd. Door ruimhartiger verliesverrekeningsmogelijkheden binnen de groep zullen immers minder snel verliezen verdampen. Het mes snijdt zo dus aan meerdere kanten. Door de verschraling van het fiscale-eenheidsregime tot louter een horizontale verliesverrekeningsregeling aan te vullen met een lager bezitspercentage – wat mij betreft zelfs geen enkel kwantitatief minimumbelang – maken we van de achterstand een voorsprong. Een voorsprong die ook goed is voor het Nederlandse vestigingsklimaat dat de laatste jaren toch al het nodige heeft te verduren (gehad).

 

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Europees belastingrecht, Vennootschapsbelasting

  903
Gerelateerde artikelen