Op dit moment ligt het wetsvoorstel voor implementatie van het multilaterale instrument (MLI) ter goedkeuring bij de Staten-Generaal.

Uit het wetsvoorstel, de bij het verdrag door Nederland ingenomen posities en de memorie van toelichting bij het goedkeuringswetsvoorstel, komt naar voren dat Nederland naast de zogeheten minimum standards, zoals de opname van bepaalde antimisbruikbepalingen, ook vrijwel alle niet-verplichte elementen van de MLI gaat overnemen. De vraag is of Nederland hier verstandig aan doet.

Wanneer we de inzet van Nederland vergelijken met die van landen, zoals Luxemburg en Zwitserland, valt op dat Nederland een veel loyalere MLI-implementatie nastreeft dan deze beide landen. In het geval van Zwitserland valt dit direct op, omdat Zwitserland slechts 14 (van de ruim 90 Zwitserse)belastingverdragen onder de reikwijdte van de MLI brengt, terwijl Nederland ruim 80 verdragen onder de Covered Tax Agreements heeft opgenomen. Luxemburg scoort op dit punt overigens  vergelijkbaar met Nederland en heeft alle verdragen die in werking zijn, onder de reikwijdte van de MLI gebracht.

Een belangrijk onderdeel van de niet-verplichte MLI-onderdelen ziet op aanpassing van de bepalingen van het begrip ‘‘vaste inrichtingen’’. Op grond van art. 12 t/m 15 MLI wordt de vaste-inrichtingsdefinitie op een aantal punten verruimd. Van belang zijnde wijzigingen van de doorgaans in belastingverdragen in art. 5 lid 4 opgenomen bepaling (de zogeheten negatieve lijst). Op grond van deze wijziging zullen activiteiten sneller tot de aanwezigheid van een vaste inrichting leiden. Verder worden de meestal in art. 5 lid 5 van het verdrag opgenomen bepalingen voor afhankelijke agenten of vaste vertegenwoordigers aangepast en wordt de reikwijdte van de uitzondering voor onafhankelijke agenten beperkt voor gevallen waarin uitsluitend of vrijwel binnen concernverband wordt opgetreden. Al deze wijzigingen zullen leiden tot een toename van het aantal vaste inrichtingen van Nederlandse ondernemingen in het buitenland. Dit betekent dat deze ondernemingen in het buitenland zullen worden geconfronteerd met aangifteplicht en de daarmee gepaard gaande compliance-kosten. Ook valt niet uit te sluiten dat er discussie ontstaat over de hoogte van de aan deze nieuwe vaste inrichtingen toe te rekenen winst. Als we kijken naar de wijzigingen van de negatieve lijst en de bepaling van de afhankelijke agent, kan aan de vaste inrichtingen die hierdoor ontstaan, in verband met de beperkte en weinig winstgenererende activiteiten van zo’n vaste inrichting, vaak slechts een beperkt bedrag aan winst worden toegerekend.

Luxemburg heeft, anders dan Nederland, een voorbehoud gemaakt voor de wijzigingen van het vaste-inrichtingsartikel. Zwitserland heeft eveneens op dit punt een voorbehoud gemaakt. Het is overigens opvallend dat ook een land als China weinig interesse lijkt te hebben in een ruimer vaste-inrichtingsbegrip. Staat Nederland dan alleen? Dat is niet het geval. Landen als India en Indonesië die beide nadrukkelijkheffingsrechten voor de bronstaat nastreven, zijn voorstander van een verbreding van het vaste-inrichtingsbegrip. Vraag blijft wel of Nederland op dit punt een verstandige keuze heeft gemaakt. Ik heb hier grote twijfels bij. Wijziging van de positie kan op dit moment echter nog steeds.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Internationaal belastingrecht

  820
Gerelateerde artikelen