Op 17 januari 2013 organiseerde de Belastingdienst het symposium ‘25 jaar constructiebestrijding’. De diverse inleiders bespraken het thema vanuit de politiek, Belastingdienst, rechterlijke macht, belastingadvieswereld en wetenschap.

De inleiding door H.P.W. Snijders namens de Belastingdienst met als titel ‘Constructiebestrijding: Speurtocht naar het wezen van de transacties (‘‘or the quest for the opposite rights’’)’, is mij het meest bijgebleven (WFR 2013/640). Zijn zoektocht naar tegenovergestelde rechten en verplichtingen blijft namelijk actueel, zowel bij malafide als bij bonafide transacties tussen onafhankelijke derden. Want een tussen onafhankelijke derden overeengekomen prijs voor een goed is niet altijd gelijk aan de waarde in het economische verkeer ervan.

Eind 2017 wees de Hoge Raad arrest in een VPB-zaak over opposite rights (HR 8 december 2017, nr. 16/04243, BNB 2018/40). Het betrof een spraakmakende zaak over een paaldansclub met bar (en paal, verwacht ik). De belanghebbende verkocht haar onderneming tegen een veel te lage koopsom en de koper ging het pand van de belanghebbende onderhuren tegen een veel te hoge huurvergoeding, een en ander met uitstel en zelfs afstel van winstneming bij de belanghebbende als doel. Het hof en de Hoge Raad staken hier een stokje voor door de koopprijs en de huurvergoeding – als communicerende vaten – te corrigeren tot de waarde in het economische verkeer; ik verwijs naar de rechtsoverwegingen 2.4.1 en 2.4.2 van het arrest.

Op 11 februari 2019 deed Rechtbank Noord-Holland uitspraak in een overdrachtsbelastingzaak over de vraag of een overeengekomen koopsom van ruim € 250 mln. voor 71 onroerende zaken lager was dan de waarde in het economische verkeer ervan (Rechtbank Noord-Holland 11 februari 2019, nr. HAA 16/2309, V-N 2019/20.21.1; zie ook Rechtbank Noord-Holland 11 februari 2019, nr. HAA 16/2308, V-N 2019/20.2.5). De rechtbank oordeelde in r.o. 28 dat in zakelijke verhoudingen mag worden verondersteld dat partijen at arm’s length met elkaar handelen. Dit resulteerde erin dat de gehele transactie – het geheel van overeengekomen rechten en verplichtingen over en weer – als zakelijk kon worden getypeerd. Het is echter mogelijk dat de totale waarde in het economische verkeer van de bij de transactie betrokken zaken hoger is dan de overeengekomen prijs. De mogelijkheid bestaat immers dat tegenover de overdracht van de zaken, rechten en/of verplichtingen bestaan die een waardedrukkend of -verhogend effect hebben gehad op de prijs.

In dit geval verleenden de verkopers – twee dochtervennootschappen van een beursfonds – een nietmarginale (kwantum)korting op de koopsom in verband met de tijdsdruk waaronder de verkoop moest plaatsvinden. Dit is een waardedrukkende, situatiegebonden factor die de koopsom van de onroerende zaak drukte. Het is echter geen waardedrukkende, objectgebonden factor die de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken drukt. De waarde in het economische verkeer lag ruim € 50 mln. hoger. Tegen deze zaak is hoger beroep ingesteld. Ik ben benieuwd hoe het hof tegen deze zaak aankijkt. Hoe dan ook, van paaldansclub tot beursfonds, de koopprijs is niet altijd gelijk aan de waarde in het economische verkeer. De bewijslast hiervan ligt bij de inspecteur en de compliancelast bij de belastingplichtige en zijn adviseur.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Belastingrecht algemeen

  639
Gerelateerde artikelen