Marco Gomes Vale Viga gaat in op de problematiek van de 'moeiende' holding in de btw.

"Well, in Holland we always say that one bv is no bv." Terwijl medestudenten met moeite een lach onderdrukken, kijken de adviseurs die de business course begeleiden ietwat geïrriteerd. Dat antwoord je toch niet aan een meegereisde "klant"?! Nu, ruim 10 jaar later, gaan mijn gedachten terug naar dat moment. En wel na de beschikking van het Hof van Justitie EU in de MVM-zaak (nr. C-28/16, H&I 2017/37). Voor de btw lijkt slechts één bv zo zijn voordelen te hebben ten opzichte van twee of meer bv's. Of beter, minder nadelen in de vorm van (onnodige) discussies over het aftrekrecht.
 
De MVM-zaak betreft een holding die zich naast met btw belaste activiteiten ook bezighoudt met het (oud-Vlaams-Nederlandse) ‘moeien' met haar deelnemingen, zij het niet tegen vergoeding. Zonder vergoeding, geen economische activiteit, laat staan een met btw belaste prestatie of daarbij behorend recht op aftrek van voorbelasting. Niet gek dus dat een zogenoemde pre-pro rata het recht op aftrek van voorbelasting bij MVM beperkt?
 
Ondanks twee beschikkingen - de reeds aangehaalde MVM-zaak, maar eerder nog de zaak-Welthgrove (BNB 2002/182) en een naar een beschikking neigend Larentia+Marenave-arrest (V-N 2015/44.18) - is de aftrekbeperking bij moeiende houdsters in Nederland nog altijd niet klip en klaar. Trouw aan de Hollandse cultuur polderen belastingadviseurs en de Belastingdienst erop los. De één wijst op EU-jurisprudentie die de btw uitlegt zoals altijd al de bedoeling is geweest. De ander wijst op onderdeel 11 van de zogenoemde holdingresolutie (V-N 1992, p. 715) die letterlijk aangeeft dat het houden van aandelen het aftrekrecht van een ondernemer niet beperkt.
 
De Staatssecretaris van Financiën onderkent de onduidelijkheid en heeft zijn visie gegeven tijdens de behandeling van het Belastingplan 2016: "Btw-aftrek is alleen mogelijk voor zover de holding naast het enkel houden van de aandelen ook nog andere met btw belastbare activiteiten in het economisch verkeer verricht jegens de betreffende deelneming (bijvoorbeeld het beheer voeren over die deelneming). In dat geval heeft de aandeelhoudersactiviteit geen gevolgen voor het recht op aftrek van deze zogenoemde holding-plus" (Kamerstukken II 2015/16, 34302, nr. 18, p. 35 en 36).
 
De vraag is wat de uitvoeringspraktijk kan met deze EU-conforme nuancering op de in 2016 gejubileerde holdingresolutie (25 jaar, hoera?). Het is immers vaste jurisprudentie dat bij de behandeling van een wetsvoorstel de staatssecretaris optreedt als medewetgever en niet als uitvoerder van de belastingwet. De toelichting op een wettekst en al hetgeen verder in het kader van de parlementaire behandeling wordt gezegd en geschreven, kan helpen bij het uitleggen van de wet, als een wettekst onduidelijk zou zijn (BNB 2008/92). Toelichtende opmerkingen die zijn gedaan als medewetgever en niet als uitvoerder, kunnen dan ook niet worden opgevat als rechtstreekse toezeggingen (BNB 1993/336).
 
Zolang de holdingresolutie niet wordt aangepast, gaat het polderen onverminderd door. Uiteindelijk vinden partijen elkaar in het midden, doorgaans zonder een gang naar de rechter. De btw-ondernemer die niet in een dergelijke discussie terecht wil komen, heeft twee opties. Tegen vergoeding (management)diensten verrichten aan de deelnemingen of gewoonweg geen deelnemingen houden. Zo simpel kan het leven, vanuit de btw bezien tenminste, zijn.
Lees ook het thema De holding in de btw.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Omzetbelasting

  866
Gerelateerde artikelen