Wie de bijdragen over fiscale ethiek heeft gelezen, heeft de naam van Rawls ongetwijfeld vaak voorbij zien komen. In zijn befaamde Theory of justice (1971) levert Rawls kritiek op de utilitaristische benadering van rechtvaardigheid.

Die houdt in dat datgene rechtvaardig is dat het grootste geluk voor het grootste aantal mensen bevordert. Rawls heeft scherp gezien dat hierdoor de rechten van het individu gemakkelijk in de knel kunnen komen. Sommige rechten zijn zo belangrijk dat geen meerderheid hieraan mag tornen. En daar ben ik het van harte mee eens. Rawls meent in zijn Political Liberalism (1993) echter ook dat fundamentele rechten en vrijheden, zoals de vrijheid van meningsuiting, niet (mogen) afhangen van een ‘alomvattende wereld- of levensbeschouwing’. Deze rechten vormen een (verondersteld) rechtvaardig kader waarmee een individu in staat wordt gesteld om (binnen de grenzen van dit kader) vrij en onafhankelijk te kiezen. Rawls maakt een onderscheid tussen het private en het publieke domein. Omdat er verschillende opvattingen over het goede leven bestaan, dient de overheid volgens Rawls neutraal te blijven en niet voor één bepaalde opvatting te kiezen. Opvattingen over het goede leven, en dus ook de fiscale ethiek, worden daardoor verbannen naar het private domein.

Het probleem met dit onderscheid tussen het publieke en private domein is dat zij leidt tot een verschraling van het (politieke) debat. De overheid die zich onthoudt van opvattingen over het goede leven, vervreemdt zich van zijn burgers. In het boek Politiek en moraal legt Sandel daar terecht de vinger op. Bij het lezen van dit boek moest ik terugdenken aan mijn column in V-N 2018/35.0, waarin ik pleit voor een (aanzet tot een) brede fiscale ethiek en constateer dat de overheid tot op heden de grote afwezige is in de discussie over de fiscale moraal. Ik heb mij afgevraagd of de afwezigheid van de overheid verband houdt met een Rawlsiaanse opvatting over de (procedurele) rol van de overheid. Zwijgt de overheid over de goede fiscale moraal, omdat daarover nu eenmaal verschillend kan worden gedacht? En als dat zo is, is het dan logisch om, zoals Happe´ doet (zie bijvoorbeeld Preadvies ‘Belastingethiek: een kwestie van fair share’ en WFR 2015/938), Rawls als vertrekpunt te nemen voor een fiscale ethiek? Is een Rawlsiaanse fiscale ethiek niet gedoemd tot eenzijdigheid in die zin dat de overheid buiten schot blijft? Eén ding is zeker: als de overheid zich onthoudt van deelname aan het debat over fiscale ethiek, komt een brede fiscale ethiek er niet. Het probleem van de zwijgende overheid vraagt dan ook om herbezinning op de wenselijkheid van het Rawlsiaanse onderscheid tussen het publieke en private domein.

 

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Bronbelasting, Belastingrecht algemeen

  1010
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen
MUST READ, COLUMNS