De schier eindeloze herhaling van vragen over rulings vanuit de Tweede Kamer stemt soms wel droevig. Belangrijk is dat rulings altijd zien op toepassing van de belastingwet in een individueel geval. Hoe graag sommige Kamerleden dat ook willen veronderstellen, van invulling buiten het kader van wet, jurisprudentie en beleid is tot nu toe niet gebleken.

Vanuit de Tweede Kamer is de afgelopen jaren sprake van een schijnbaar groeiende aandacht voor rulings. De vragen betroffen in het verdere verleden met name aantallen, doorlooptijden en of de Belastingdienst niet te weinig rulings gaf, bijvoorbeeld toen rond 2001 voor royalty- en financieringsactiviteiten werd omgeschakeld van een standaard ‘sliding scale' naar een individueel bepaalde marge. De laatste jaren ligt de nadruk veel meer op (veronderstelde) belastingontwijking door multinationals. De schier eindeloze herhaling van vragen (naar de inmiddels toch bekende weg) stemt soms wel droevig. Belangrijk is dat rulings altijd zien op toepassing van de belastingwet in een individueel geval. Hoe graag sommige Kamerleden dat ook willen veronderstellen, van invulling buiten het kader van wet, jurisprudentie en beleid is tot nu toe niet gebleken. Dit betekent dat, als men meent dat ongewenste belastingontwijking wordt bevestigd door rulings, men de wet moet aanpassen. Belastingplichtigen kunnen anders immers nog steeds hetzelfde doen zonder ruling. Daarmee ligt de bal wellicht meer bij de Kamer dan uit de voortdurende vragenstroom naar voren komt.

De andere kant van het verhaal is dat er wel begrip voor is op te brengen dat de Tweede Kamer enig inzicht wil krijgen in wat rulings inhouden. In de jaren negentig was er een boekje van de belastingdienst Rotterdam met standaardrulings en -marges. Na de aanpassing van het rulingbeleid in 2001 is de nodige informatie verstrekt over rulings. Dat betreft naast de van tijd tot tijd geactualiseerde gepubliceerde beleidsbesluiten bijvoorbeeld de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 2 februari 2015, IZV/2015 22 U, V-N 2015/10.3. Dat bleef echter redelijk abstract, zonder concrete voorbeelden. Recentelijk is na een WOB-verzoek een notitie opgedoken die in 2015 is gemaakt voor de toen aantredende staatssecretaris. Deze notitie geeft een gedetailleerdere beschrijving van de rulingpraktijk en noemt daarnaast een aantal beleidsmatige afwegingen. Inmiddels ligt er ook een update van deze notitie. Tevens zijn er geanonimiseerde voorbeelden die ook aanzienlijk gedetailleerder en concreter zijn dan wat eerder is verstrekt. Het nu pas verstrekken van deze stukken maakt op mij de indruk dat het ministerie zich eerder toch niet voldoende heeft verplaatst in de positie van de Kamer. Dat is onhandig en stemt evenzeer droevig.

Het dieptepunt van onbegrip in dit vraag-en-antwoordspel is echter te vinden in de motie-Van Raan (PvdD) en Van der Lee (GL) (Kamerstukken II 2016/17, 25087, nr. 158). In deze motie wordt gesteld dat rente betaald over informeelkapitaalverstrekking niet duidelijk te onderscheiden is op het belastingaangifteformulier en verzoekt de regering dat aan te passen. Rente betaald over informeel kapitaal bestaat niet! Maar zelfs, als er wordt ingelezen dat rentekosten geboekt als (geïmputeerde) last en als informeel kapitaal, apart moeten worden gerapporteerd, is het een onzinnig verzoek. In het 2016-biljet wordt immers, zoals aangekondigd, al per aandeelhouder gevraagd naar eventuele informeel kapitaalstortingen, welke moeten worden toegelicht. Hier wordt geprobeerd een open deur in te trappen, maar zelfs daarbij trapt men nog mis. Gelukkig is deze onzinmotie op 6 juni 2017 weggestemd.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Europees belastingrecht, Belastingrecht algemeen

15

Gerelateerde artikelen