Wie deed het vroeger niet? Als het van je vader niet mocht, vroeg je het aan je moeder. En dan maar hopen dat zij ja zei. In mijn dagelijkse werk merk ik dat ook wel eens. In vooroverleg worden standpunten bij verschillende inspecteurs ter accordering voorgelegd.

Bij deze voorbeelden zijn, voor alle partijen, transparantie en het delen van informatie essentieel. Bij de uitleg van wetgeving kom je soms bij ‘vaders en moeders’ uit om aan de weet te komen wat precies is bedoeld.

De loonbelastingwetgeving kent verschillende doctrines die verbanden hebben met andere wetgeving, veelal op sociaalrechtelijk gebied. De vraag die hierbij opkomt, is of die verbanden bijdragen aan wetgeving die voldoet aan een aantal beginselen van belastingheffing.

Zo moet het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder worden bepaald met inachtneming van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Bij zo’n meest vergelijkbare dienstbetrekking zal het loon niet lager zijn dan is bepaald in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Kan het gebruikelijk loon dus niet lager zijn dat dit wettelijke minimumloon? Rechtbank Gelderland oordeelde dat dit wel mogelijk is (V-N 2021/20.2.4). Gelet op de specifieke omstandigheden, de continuïteit van de onderneming is in gevaar, ben ik het eens met dit oordeel. Maar het oordeel is niet absoluut. Andere omstandigheden zouden kunnen leiden tot een ander oordeel.

Nu veel werknemers thuiswerken, is de markt voor onder meer arbovoorzieningen booming. Thuiswerken gebiedt de werkgever om de werknemer van een gezonde en veilige werkplek te voorzien, althans als de werknemer daarover nog niet beschikt. De kosten moet de werkgever dragen en worden niet ten laste van de werknemers gebracht (art. 44 Arbeidsomstandighedenwet). De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen (art. 8.4a UR LB 2011) sluit aan bij de Arbeidsomstandighedenwet. In hedendaagse (collectieve) arbeidsovereenkomsten zijn individuele keuzebudgetten en cafetariaregelingen niet meer weg te denken en arbovoorzieningen zouden hiervan ook deel kunnen uitmaken. De vraag is of dan nog wordt voldaan aan genoemd artikel 44. Afhankelijk van de vormgeving zou het antwoord mijns inziens ja of nee kunnen zijn.

De Wet DBA bestaat vijf jaar en zou volgens het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ worden vervangen. Tot op heden is daarvan weinig terechtgekomen. De Commissie Regulering van werk (Commissie Borstlap) heeft sterke analyses gemaakt van de arbeidsmarkt en komt met vele oplossingsrichtingen. Het is niet de vraag of een komend kabinet hiermee aan de slag gaat, maar welke keuzes worden gemaakt. Ik zou daarbij de vraag willen stellen of het werknemerschap in de loonbelastingwetgeving nog gebaseerd zou moeten blijven op de arbeidsovereenkomst in het burgerlijk wetboek. De heffing van loonbelasting is gebaseerd op het beginsel van de minste pijn: belasting aftappen bij de bron. De arbeidsovereenkomst gaat over rechtvaardigheid: ongelijkheidscompensatie. Het besliskader wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst, gaat uit van een holistische beoordeling van alle feiten en omstandigheden. Achteraf dus. Dat schuurt met de rechtszekerheid als het gaat om de heffing van loonbelasting.

Schurende wetgeving vormt geen aanlokkelijk uitgangspunt. Het vraagt van drie staatsmachten om te zoeken naar evenwicht.

Rubriek: Loonbelasting, Arbeidsrecht

Informatiesoort: Uitvergroot

Carrousel: Carrousel

Focus: Focus

  1244
Gerelateerde artikelen