In 1992 is de Brede Herwaardering I in werking getreden. Drie jaar later volgden de Brede Herwaardering II en III. Voor wat betreft lijfrenten constateer ik dat de wijzigingen vooral 'volgend' waren.Ik denk dat een herzien lijfrenteregime niet gebaat is met (veel) overgangsrecht. Zonder overgangsrecht kan het lijfrentegebouw eenvoudig worden gemaakt, maar ik sta natuurlijk open voor tegenargumenten en andere meningen. Laat de Brede Herwaardering IV maar komen.

In 1992 is de Brede Herwaardering I in werking getreden. Drie jaar later volgden de Brede Herwaardering II en III.  Met deze wetgeving is de fiscale wetgeving rondom lijfrenten, kapitaalverzekeringen en pensioen grondig herzien. Natuurlijk, sindsdien heeft de wetgever niet stilgezeten. Sterker nog, sinds 2001 is er bijna elk jaar wel wat veranderd in de fiscale wetgeving op dit gebied. De ene keer waren de wijzigingen ingrijpender dan de andere keer. Voor wat betreft lijfrenten, daar beperk ik mij nu toe, constateer ik dat de wijzigingen vooral 'volgend' waren. Zo werd, toen in de pensioenwetgeving vroegpensioneren in de ban werd gedaan, de overbruggingslijfrente in het kielzog van deze maatregel afgeschaft. En met de (gefaseerde) verhoging van de AOW-leeftijd, volgde de vroegste ingangsleeftijd van de tijdelijke oudedagslijfrente deze verhoging. Maar dit alles is niet gebeurd zonder daarbij overgangsrecht te treffen. En zo hebben we dan nu lijfrentewetgeving met de volgende 15 vormen:

  1. Verzekerde levenslange oudedagslijfrente;
  2. Bancaire 'levenslange' oudedagslijfrente;
  3. Verzekerde tijdelijke oudedagslijfrente 'oude stijl';
  4. Bancaire tijdelijke oudedagslijfrente 'oude stijl';
  5. Verzekerde tijdelijke oudedagslijfrente 'nieuwe stijl';
  6. Bancaire tijdelijke oudedagslijfrente 'nieuwe stijl';
  7. Overbruggingslijfrente;
  8. Verzekerde nabestaandenlijfrente ten behoeve van de verzekeringnemer;
  9. Bancaire nabestaandenlijfrente ten behoeve van de rekeninghouder/houder van het lijfrentebeleggingsrecht;
  10. Verzekerde nabestaandenlijfrente voor bloed- en aanverwanten jonger dan dertig jaar;
  11. Bancaire nabestaandenlijfrente voor bloed- en aanverwanten jonger dan dertig jaar;
  12. Verzekerde nabestaandenlijfrente voor bloed- en aanverwanten ouder dan dertig jaar;
  13. Bancaire nabestaandenlijfrente voor bloed- en aanverwanten ouder dan dertig jaar;
  14. Verzekerde nabestaandenlijfrente voor derden (waaronder de partner); en
  15. Bancaire nabestaandenlijfrente voor derden (waaronder de partner).

Er gelden voor elk van deze lijfrentevormen eigen specifieke spelregels. En dan 'vergeet' ik nog het onderscheid tussen lijfrenten die vallen onder het regime van vóór de Brede Herwaardering I, lijfrenten die vallen onder het regime van de Brede Herwaardering I en lijfrenten die vallen onder het regime van de Wet IB 2001, om over de lijfrenten uit het rariteitenkabinet – de alimentatielijfrente, de pensioenverrekeningslijfrente en de invalidekindlijfrente – maar helemaal te zwijgen.

Dient deze verscheidenheid nog een doel? Natuurlijk heeft alles zo zijn achtergrond, maar als je het geheel beziet dan is er door de jaren heen een onoverzichtelijke lappendeken van lijfrentevormen en lijfrente-eisen ontstaan. Het doel van een hedendaagse lijfrentevoorziening is niet gewijzigd ten opzichte van wat de Brede Herwaardering I heeft gebracht. Dat wil zeggen, de lijfrente moet nog steeds een oudedags- en/of nabestaandenvoorziening zijn. Het is vervolgens de vraag hoe strikt of soepel je als wetgever hier invulling aan wilt geven. Voor de hand ligt dat een oudedagsvoorziening een vroegste en uiterste ingangsleeftijd heeft. Het is in dat kader opvallend dat de levenslange oudedagslijfrente – en ook de overbruggingslijfrente – momenteel nu juist geen vroegste ingangsleeftijd kent. Dat lijkt soepel, maar in de praktijk regelt zich dat wel. Uitzonderingen daargelaten, mensen laten hun oudedagslijfrente nu eenmaal niet op hun 45e ingaan. Bij de tijdelijke oudedagslijfrente ligt dit anders. Aan de vier varianten die we hierbij moeten onderscheiden zijn strenge – te strenge? – spelregels verbonden aan de vroegste ingangsleeftijd. Verder kennen we minimumlooptijden voor de verschillende lijfrenten, die afhankelijk van de situatie ingewikkeld overkomen. Ook zien we verschillen tussen bancaire en verzekerde lijfrente die niet altijd even goed te verklaren zijn. Waarom moet een bancaire nabestaandenlijfrente voor een 26-jarig kind bijvoorbeeld vier jaar duren, terwijl de verzekerde variant ook korter mag? En waarom moet een verzekerde nabestaandenlijfrente voor een 31-jarig kind levenslang uitkeren, terwijl de bancaire tegenhanger 'maar' twintig jaar hoeft uit te keren?

Schoon schip maken binnen het lijfrenteregime kan geen kwaad, want de veelheid aan regels is overweldigend. Hoe dit nieuwe stelsel eruit zou moeten zien, is arbitrair. Het is deels een kwestie van smaak. Laat de volgende vijf kernachtige punten een eerste voorzet zijn:

  1. Twee basisvormen: de oudedagslijfrente en de nabestaandenlijfente;
  2. Een minimumlooptijd van vijf jaar voor zowel oudedags- als nabestaandenlijfrenten;
  3. De oudedagslijfrente gaat uiterlijk 10 jaar voor de AOW-leeftijd en uiterlijk 5 jaar erna in;
  4. De nabestaandenlijfrente gaat in na het overlijden van de verzekerde/rekeninghouder;
  5. Geen overgangsrecht voor bestaande aanspraken (directe werking).

Met name dit laatste kan een twistpunt zijn. Ik denk dat een herzien lijfrenteregime niet gebaat is met (veel) overgangsrecht. Zonder overgangsrecht kan het lijfrentegebouw eenvoudig worden gemaakt, maar ik sta natuurlijk open voor tegenargumenten en andere meningen. Laat de Brede Herwaardering IV maar komen.

 

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Pensioenen, Inkomstenbelasting

  670
Gerelateerde artikelen