Renteaftrek is jarenlang een hot topic geweest in de fiscalistenwereld. Huizen werden tot de nok toe volgestopt met schulden, om zo optimaal te genieten van de aftrekpost in de inkomstenbelasting. Ook ondernemingen hadden dit spelletje al snel door. Doordat rente in de vennootschapsbelasting aftrekbaar is en dividend niet, is het lucratief om de onderneming te financieren met zo veel mogelijk vreemd vermogen. Andere belasting, hetzelfde probleem. Anno 2020 is het probleem met de renteaftrek nog steeds actueel.

De beperking van de hypotheekrenteaftrek kent een lange geschiedenis vanaf 2001. De laatste jaren gaat het hard met de beperking van deze renteaftrek. Volgend jaar staat de maximale renteaftrek nog op 43% en zal binnen afzienbare tijd teruglopen naar 37%. Dat lost niet de ingewikkeldheid van de regeling op: ik noem als voorbeelden de dertigjarige looptijden die niet goed zijn geadministreerd met het oog op het jaar 2031 e.v., de bijleenregeling en de aflossingseis voor nieuwe leningen die de eigenwoningregeling compliceren. Dit leidde eind vorig jaar tot een tweetal evaluaties waarin de facto werd geconcludeerd dat de regeling niet uitvoerbaar is en we van de huidige hypotheekrenteaftrek af moeten. De Staatssecretaris van Financiën heeft laten weten dat het eindplaatje wel twintig tot dertig jaar op zich laat wachten. Vervolgstappen worden overgelaten aan het nieuwe kabinet.

Iets soortgelijks zien we ook met de renteaftrek in de vennootschapsbelasting. Nadat eerst is gepoogd de renteaftrek aan banden te leggen via jurisprudentie, volgde een opeenvolging van nieuwe wettelijke renteaftrekbeperkingen. Getuige het Belastingplan 2021 is niettemin ook hier het einde niet in zicht. In de begeleidende brief bij dit Belastingplan preludeert de staatssecretaris zelfs op een onderzoek naar de vermogensaftrek, in combinatie met een strengere earningsstrippingbepaling. Een vermogensaftrek moet de fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen in vennootschapsbelasting evenwichtiger maken.

Bij al deze wetsontwikkelingen wordt mijns inziens onvoldoende acht geslagen op de ontwikkeling van de rente. De rente op staatsobligaties is inmiddels negatief, ondanks de oplopende staatsschuld.

Ook de hypotheekrente en de rente op bedrijfsleningen lijkt zodanig (structureel) gedaald dat de vraag opkomt wat de renteaftrek fiscaal nog waard is. 37% (IB) of 25% (VPB) van een zeer laag of soms zelfs negatief rentepercentage lijkt het nauwelijks waard om een hele kerstboom aan renteaftrekbepalingen op te tuigen dan wel in stand te laten. Wettelijke renteaftrekbeperkingen zouden daardoor juist minder noodzakelijk moeten zijn, mits interne leningen (VPB) of familiebanken (IB) onder zakelijke voorwaarden en omstandigheden zijn aangegaan.

Andersom zou ook simpelweg een streep kunnen worden gezet door de renteaftrek. Dat geldt ook voor de vermogensaftrek die nu wordt overwogen. Vanuit het oogpunt van de vormgeving van een optimale vennootschapsbelasting heeft een vermogensaftrek de voorkeur. Door de lage rentestand zal echter ook een in te voeren vermogensaftrek tot een relatief niet noemenswaardige aftrekpost leiden. Dat roept de vraag op of het oplossen van het renteprobleem het verder compliceren van de vennootschapsbelasting waard is. Anders geformuleerd: moeten we niet constateren dat de renteaftrek een fiscaal probleem van de vorige decennia is?

Dossiers: Prinsjesdag 2020

Rubriek: Vennootschapsbelasting, Inkomstenbelasting

Carrousel: Carrousel

Informatiesoort: Uitvergroot

  670
Gerelateerde artikelen